Het Open Boek Texel

< Terug



Tessels dictee in De Waldhoorn


De feestcommissie van Den Hoorn organiseerde eind april 2001 een avond over het dialect. Ze hadden daar ook vertegenwoordigers van andere dorpen voor uitgenodigd. De avond draaide grotendeels om het Tesselse dictee. Een nogal opmerkelijk onderdeel, omdat zo'n overhoring suggereert dat er mensen zijn die weten hoe je het Tessels moet schrijven. Vooraf leverde het ook meteen al de nodige commotie op. Want Piet Schneider had in de krant geventileerd dat binnen de organisatie het woordenboek van Keyser hoger werd aangeslagen dan dat van Gelein Jansen. Terecht, maar niet aardig voor Gelein. Dus ging Gre Dros dit in de volgende krant rechtzetten, ook terecht natuurlijk. Want Gelein slooft zich uit voor van alles, en Gré had hem hoog zitten.

Het dictee bestond uit drie onderdelen. Het was gemaakt door Gre Dros, Wil Kikkert-Duinker en Jan Lap.
De Oudeschilders toonden zich uiteindelijk het meest bedreven en wonnen met een scheepslengte voorsprong. Willem Kikkert las zijn mooie vers Juffrouw Lientje voor, en op het eind mocht iedereen meedoen aan de kruidenbitterproeveree. En zo werd het werd warempel nag een merakels aardige éévend.


In het eerste onderdeel moesten veertien zinnen op de juiste manier worden opgeschreven. Dus de juiste streepjescode boven de goeie letters. Bij de streepjes mocht men nog kiezen tussen foordewiense en teugewiense. In geval van twijfel was een dakkie ok wel goêd.

1. In de have lagge twie skepe met skéépe.
2. De lampies lèègge in 't sontje onder een tuunwòòltje.
3. Biêm sit skrep in sien stoêl met puus in een ròòlje op skóót.
4. 't Is sonde dòt ik het sèèg, maar ik ken nou niet met je staan.
5. Kees, haal effe een endje groêne skéépekéés bee Jane.
6. In de Sluusslóót stonde eerder puur kòrrewòsse.
7. Foor koppiestiêd hèèw ik nag een paar boeskippe deen.
8. Die kiender lóópe òllòn te snobbe en te snaaie.
9. Het griêst je je tóóne uut.
10. Wòt klòòd dòt kiend, se moet een smult je foor.
11. Wòt een gedoên, me hóófd staat op een pentje.
12. 'k Hèèw er een skoft werk òn hòd, maar de klééde hange weer gnap foor de glaze.
13. Naatje stroffelt over d'r eige biêne.
14. On de meneuvels te siên gane we nou bidde, sei dóóve Jaap.


In het tweede onderdeel moesten van acht sèèggies de Nederlandse betekenis worden opgeschreven.

1. Ik gooi de skoffel op het boetje - Ik hou ermee op.
2. Ik kreeg het foor een skeet en drie knikkers - Ik kreeg het voor een appel en een ei.
3. De kerk is gróóter òs de toore - De vrouw is groter dan haar man.
4. Hei-je het hooi òn de róók? - Is je vrouw in verwachting, heb je iemand zwanger gemaakt?
5. Ik gaan weer gien wages reeë - Ik ga naar bed.
6. Ik hèèw de feugel over 't net late vliêge - Ik heb de kans
voorbij laten gaan.
7. De ruûf hangt deer hóóg - Ze zijn daar arm, het is daar armoedig.
8. Die is òllòn op driêvende kiêl - Die is altijd de hort op, altijd onderweg.


In het laatste onderdeel moesten vier Nederlandse zinnen in het Texels worden vertaald.

1. Ik kan niet met hem opschieten - Ik ken niet met hem worre.
2. Als de pinken de wei in mogen, zijn ze behoorlijk opgewonden - òs de sketters het lòònd in magge, benne ze puur oppe doei.
3. In het voorjaar zie je weer veel grutto's, tureluurs en scholeksters - In het foorjaar sie je weer veul marels, tjerkies en lieuwe.
4. Vandaag is het kliekjesdag - Fandaag hèèwwe we (is het) poêsiesdag.