Het Open Boek Texel

< Terug



V o o r  h e n  d i e  v i e l e n
T h e o  T i m m e r


Wat vindt men op het veld en naast de sloot?
de fotograaf schiet hier een dode haas
die bijna nog ontsnapt was, maar helaas
werd neergehaald en zo de vlucht besloot.

Onwrikbaar staat een schaduw als een standbeeld
midden in de lichtval van het lot.
De fotograaf richt alles naar zijn hand
en hoort de spiegel vallen in het slot.





T w e e  g e d i c h t e n
C e e s  v a n  D i j k


Neergang

Een houten kop
een tong van leer en
God mag weten wat nog meer.
Verval, verval, verval
valt niet te stuiten


Poezie

Poezie is pissen met een sierlijk boogje;
maar waar het werkelijk om gaat,
dat is des accu's zuurtegraad
en op z'n tijd z'n natje en z'n droogje.


H i j  b r e n g t  a f  e n  t o e  d e  z e e  r o n d
W i l l e m  B r o e n s
Uit teksten en werken op zink Galerie Speijer & Vogtschmidt, Amsterdam 1999


Laat hem passeren en raak
'm aan. Laat 'm.
Laat 'm gaan zoals hij kwam
maar laat hem. Laat 'm.
Laat hem achter je staan, maar
laat 'm.
Laat 'm voor je opkomen, maar
laat 'm.
Laat 'm op je afkomen, maar
laat 'm.
Laat 'm op je inwerken, maar
laat 'm.
Laat 'm uitleggen, maar laat 'm.
Laat 'm notities maken, maar
laat 'm.
Laat 'm passeren, laat 'm
passeren; hij ziet je altijd staan


B e r i c h t  g e v o n d e n  o p  T e x e l
H e i n  S t u f k e n s
(uit: Een woord in de wind, uitgeverij Ankh Hermes)


Niet wordt verlangen
ooit vervuld, dan als men
naar het voorbeeld der asceten

de dorst naar kennis lest
door dieper weten, en
grootste liefde, hoogst genot,

geschenk wordt van het ik-vergeten
zijn, de volle leegte, tao, god,
of hoe het naamloze mag heten.


T w e e  g e d i c h t e n
M a a r t e n  H o o g e n b o s c h


Schapendiscriminatie

die laatst ging niet van harte
de eerste tachtig
waren prachtig
al deed hij er vijf in een uur
en was het weer nog zo guur
hij deed het met plezier
en was een superdier
maar die ene zwarte
speelde hem parten
bij gebrek aan beter
de zwarte werd al heter
sloeg hij 's nachts toe
zodat de witten niet zagen hoe
de zwarte lamde het laatst
en de boer was elk jaar verbaasd

(31-12-1998)


Eenzaam

maar geen eentje voor mij
sta met bolle ogen achter het hek
op mijn zomerse stek

(winter 2004)


D e  C o c k s d o r p
H a n s  v a n  S c h a i k


In een groene schelp verscholen
staan de huizen naar het wad,
rustend aan de Roggesloot
tussen dijk en duin gevat.
Waar wind en water vechten om het land,
de mens beschermend legd'een band,
staat sterk en strak gelijnd
de wachter aan het eind.

Hans van Schaik, mei 1985


Gepubliceerd in de Eierlands Courant van juni 1985, uitgave bij het 150-jarig bestaan van de polder.
Het gedicht beschrijft De Cocksdorp, gezien vanuit het oosten vanaf de Stengweg, liggend achter de Roggesloot. De 'groene schelp' is het Molenbos, dat als een schelp een deel van het dorp omvat. De 'band' die door mensen gelegd werd is de asfaltversterking aan de duinvoet bij de vuurtoren.


T w e e  g e d i c h t e n
R i k a  v a n  d e n  B e r g


Goddelijk

Bleekblauw bloeit nu de blauwe regen
Hangt tere trossen tegen de verweerde schuur
bladderend witte verf met dit lichtblauw ertegen
maakt van verval een onverwachte zegen
schoonheid troost de ziel met deze muur

En ieder jaar verwondert mij weer deze tijd
wil ik het vatten in mijn hart en in mijn handen
bewaren tot de gure wind over de polder snijdt
oproepen als een steun in dagelijkse strijd
steeds is het weer te vluchtig, 'k leg het niet aan banden

Het fluitenkruid is een te gewone naam
voor sprookjespracht dat nu de bermen siert
de rododendron klinkt als drums om op te slaan
de bloem zo teder: zijden zomerwaan
het stevig blad blijft hunk'rend achter als de zomer hoogtij viert

och geen penseel, muziekstuk, proza of gedicht
benadert wat mijn hart beleven mag in mei
dans van geur en kleur en vorm en strelend lentelicht
die elk jaar weer verwondering en verrukking brengt, bericht:
wordt wakker mens: het goddelijke is dichtbij

september 2004


Lakens

Het was fris als pas gewassen lakens op het strand
Schoon: de helder witte wolken
alleen maar daar boven zee
ze geven bijna licht
En het blauw van de lucht ook zo fris en schoon
Intens blauw zoals je zelden ziet
Onder de wolkpartijen hangt een sluier van grijsblauwe mist:
Het regent daar in de verte op zee.
Maar hier waar wij lopen schijnt de zon
die verwarmt al een beetje
terwijl er een fris windje staat
het gele zand, de blauwe lucht
de witte wolkjes
en wij blij en vrolijk
wandelend langs het strand
op een dag die voelt als pasgewassen
en buiten gedroogde lakens

maart 2004


S t r a n d
M a s  P a p o
Uit Dichter op de huid (Een Bernhezer dichtbundel, 2005)


Wier, aangespoelde kwallen,
ribbels in het zand,
eb, oostenwind, dit maakt het strand
tot wat het is.
Een verlaten vlakte tussen duin
en zee. Zoute lucht, zon,
striemend zand, hier en daar wat
hout, aangespoeld toen er niemand
keek, in de duistere nacht als de golven
beuken en de branding bruisend
omslaat.


B l i k
S i e m  H e m e l r i j k


De tijd, zo dun en rond
Als water in een kolk,
Of hevig in een westerstorm
- Die meidoorn kromt
En schaap doet schuilen achter boet -

Die doodnormale tijd,
Raadhuis' gangen sierend,

Breekt bij het rechten
Van een blikken schuur
In 't Oude land.


D e  e n i g e  m a n i e r
S j o e r d  K u y p e r
Uit In de uilevlucht, uitgave Ekspresszo


Er is maar één manier
Om werkelijk
Op Texel aan te komen:

Reis naar Harlingen,
Neem de boot naar Vlieland,
ga van het Posthuys
over de Vliehors
naar het Eierlandse gat,

waad tot je knieën door
het water - ga aan boord
van 'De Vriendschap',
die ouwe vissersboot,

kijk naar het licht
dat als een mes
tussen de wolken
door gestoken wordt,

vaar naar de vuurtoren,
die je al bijna
aan kunt raken, nu je arm
in deze helderheid
meer dan een half uur lang is,

en zie rondom het schip
de visjes die als vonken
van een slijpsteen
uit het water springen.

Dit is de enige manier
Om werkelijk
Op Texel aan te komen.


J u l l i e
F r a n s  K u i p e r s
Uit Wolkenjagen, uitgeverij Atlas 1997


Jullie
die brood bakken

en jullie die
de webben weven voor Meester Volt.

Toekomstbouwers.
Nijveren. Nuttigen.

Iemand moet er zijn

op een verlaten schapeneiland

In ritselend helmgras gelegen

Om van de doelloos dwalende wolken
De herder te zijn.


T w e e  g e d i c h t e n
K a r i n  B e u m k e s
Uit Echte Inkt


Metamorfose

We hebben de hond begraven op een geheime plek
het lichaam werd door dekentjes bedekt
geelgespikkeld bruin waren zijn ogen nog -
de hondenbek lag in de dood te drogen

Hebben de goden in onszelf ontdekt
hebben drie keer hard en vurig op de grond gespogen
en het Onze Vader opgezegd:
vergeef ons Heer - wij weten wat wij doen

hebben de laatste flessen op het land ontkurkt
toen wij elkander op de poolvlakten ontmoetten
moesten wij wennen aan pantoffelvoeten
en aan de ontnuchterende stilte
die nà het drinken komt.


Ritueel

In de stilte van de nettenschuur
Blijft de geest van de visserman hangen
Hier liggen de zilveren schubben nog steeds
Je lieslaarzen, je gele oliejas
Je bundel met zeemansgezangen

Hier beleef ik weer het wreed geheim
Het vissen villen met blote handen
Rood en rauw worden mijn nagelranden

Jij stond er altijd bij te zingen
Het ritueel verandert niet
Ik blijf het meisje met de vlechten
Jij blijft de trotse Inuit


P r o l o o g
W i l l e m  K i k k e r t


De zon komt op, de sferen kleuren
In allerhande tinten rood
Een vlammenorgie die ons noodt
Ook ons bestaan weer op te fleuren.

Laat God het doek hier openscheuren
Met zicht op leven na de dood?
Maar nee, bewaard in Texels schoot,
Blijft het voor ons een aards gebeuren.

Dus ondermaans, maar toch bijzonder;
Een kleuren baaierd die het wonder
Duidt van een nieuwgeboren dag.

Als vele anderen gegeven
Waarop 'k mijn bescheiden leven
Een hemels vuur beleven mag.