Het Open Boek Texel

< Terug



T w e e  g e d i c h t e n
T h e u n  d e  W i n t e r
Uit Het gras voor mijn voeten (uitg. L.J. Veen 2000)


Wissel

In zijn spel herkent men
het gemengd bedrijf: gebukt
over zijn schop, wijdbeens
tussen het vee – de harde handen
aan zijn pezig lijf weten van wanten.

Onvermoeibaar zwoegend
trekt hij gaten en spiedt rond,
alsof hij zoekt naar mogelijke
ziekte in het pootgoed.

Maar aan de bal verandert hij,
zijn vreemde motoriek
wordt bijna Weense wals, hij kapt
en draait, versnelt, geen veld
te zwaar voor hem,
gewend aan polderklei.

Onverwachts haalt hij ziedend uit
en scoort, bal op de wind,
één met de elementen.

Zelfs zijn naam geeft blijk
van veel verbondenheid
met de geboortegrond:

Paul van Exel, spits van Texel,
op benen die overigens
meer o dan x zijn.
Boer, in alle seizoenen.

Uit tegen KGB te Bovenkarspel
krijgt hij het weer
eens op zijn heupen.

Met wapperend nekhaar
en zakkende kousen
sticht hij bij voortduring gevaar
en treft het net: 0-1.

De tegenpartij bijt
van zich af, de druk neemt toe,
maar het eilandelftal
geeft geen krimp, houdt stand.

Dan komt de onbegrijpelijke
wissel, een kwartier voor tijd.
Wat bezielt een coach
die in het heetst van de strijd
zijn beste man vervangt?

Van Exel rent langs het verbaasd
publiek het veld uit, grist
bij de verzorger zijn sporttas mee
en roffelt op ijzeren noppen
naar een grootschalige BMW
(voetballers- en boerenbolide),
die gedempt ronkend klaarstaat,
vriend achter het stuur.

In een oogwenk is
de niet af te stoppen spits
uit het gezicht verdwenen,
bezweet en modderig onderweg
naar de boot van halfvijf.

Op Texel moeten straks
de koeien
weer gemolken worden.


Herschapen eiland

De boot stroomt leeg, komt grommend
klaar. Een vloed van zwaar metaal en olie,
vlees en bloed baant zich een weg, zonder
pardon, over het eiland van mijn jeugd.

Het vaatstelsel van wat eens schelpenpad
was, dorpsstraat, strandslag, karrespoor
slibt dicht, wordt omgeleid, verhard, verbreed
tot het landschap in het asfalt stikt.

Als een boze branding dreunt overal
het snelverkeer. Geen duin, laat staan
een tuunwal, zal 't rampzalig wassend
water van de welvaart kunnen keren.

Het vogeleiland zinkt en zingt verstild
zijn zwanezang. Steeds talrijker weerklinken
ieder najaar de genadeschoten. Gewetensvol uiten
de jagers via de trekker hun betrokkenheid.

De omzet stijgt. Het laatste springtij is
in aantocht. De maan houdt ons een
spiegel voor – wie durft zijn schijngestalte
als hebzuchtig te ontmaskeren?

Ik, drenkeling in geestesnood, vlucht
voor de boot naar 't hoogste punt. Nabij
de Weezenplaats val ik onder een groene
bladerkoepel op de Hooge Berg terneer.

Middenin de mensenzee word ik mijn tot
mijzelf herschapen eiland. Geruggesteund
door keileem uit de ijstijd blijf ik
boven - zichtbaar slechts kop en romp.

Mijn voorhoofd fronsend vorm ik moeiteloos
de Eierlandsche Duinen en leg een oor
te luisteren op de Schorren, die galmen van 't
massaal maar zeer beschaafd rotgansgekeuvel.

De Krim, nieuwbouwwijk in de natuur dankzij
kortzichtige projectontwikkeling, verduistert
oogverblindend wit mijn blik. Ik slaak
een zucht die uitmondt in De Slufter,

wiens zoute gronden mijn neuskeelholte
bekleden. Gefilterd door lamsoor en
Engels gras blaast daar uit zee
de westenwind mijn longen binnen.

Waar klopt mijn geografisch hart? Het moet
haast wel bij hoeve Ora et Labora zijn, vredig
in de avondschemer. De zoete warmte van
de koestal benevelde mij steeds weer bij het

binnenkomen, samen met mijn vader en de hond –
allebei gezond nog. Voortijdig voelde ik toen
deze weemoed al, terwijl we rustig keken naar
het vullen van ons blauw geëmailleerde busje.

'Grondeloos diep', wist hij, mijn vader,
uit zijn jongensjaren omtrent het Weegesweel.
In de oksel van het polderdijkje zet
de kolk zijn rietkraag op en wacht gelaten

tot de vorst zijn rimpels glad komt
strijken. Geen wonder dat mijn nogal zwaar
beproefde lever zich ongeveer daar, vol vlijt
drainerend, vochtig ingebed bevindt.

Mijn navel valt samen met onderdrukt
Den Burg, waar ik als pril Verzetsheld
in de kinderwagen lag en moedig voortgeduwd
werd door mijn liefderijke moeder.

Herhaaldelijk misleidden wij de vijand,
want onder mijn matras hield ik tersluiks
verborgen drie, vier katoenen kilozakjes
illegaal tot meel vermalen tarwe.

De Bevrijding kwam, maar heeft de vreemde
overheersers niet verdreven. Gloort er nog
hoop? Vanuit de windstreek noord-noordoost
tuur ik omlaag mijn buik langs, die allengs

verdwijnt in de vage einder. Zeedamp hangt
op de Mokbaai en aldaar beslaat de horizon. Toch,
zie – een vingerwijzing in de mist verheft zich
traag en ik herken Het Licht van Troost.