Het Open Boek Texel

< Terug



Texelse Volksverhalen

Uit Verhalen van de Waddeneilanden, uitg. HMP Voila 2002



Akkes-Kil


Akkes-Kil was een echte heks en ze woonde in het dorpje de Waal op Texel. Ze was beslist niet zo goedaardig als de Sommeltjes van de Sommeltjesberg. Ze wachtte lang niet altijd tot het avond was voor ze te voorschijn kwam om haar nare streken uit te halen, hoewel ze zich in het nachtelijk donker, als de wind de takken van de bomen deed kreunen, wel op haar best voelde. Ze had de gewoonte om over haar onderdeurtje te hangen, zo'n groen half deurtje met zo'n mooie koperen klink eraan. Dat deurtje en die klink zagen er onschuldig genoeg uit, maar als je Akkes-Kil zag, wist je meteen dat iets loos was.
Ze stond daar zoals heksen wel vaker doen, haar armen over elkaar en haar scherpe neus vooruitgestoken. Ze had een paar ogen boven die enorme neus die je niet gewoon aankeken, nee, die keken dwars door je heen. Naast haar zaten altijd twee witte katten op het randje van de onderdeur, elk aan een zijde. Die katten hadden ogen om bang van te worden en ze zetten kromme ruggen en dikke staarten om van te griezelen. Wanneer er dan per ongeluk iemand langskwam, begon Akkes-Kil haar kunsten te vertonen. Ze keek de ongelukkige scherp aan met haar heksenogen en als hij zo bang was dat zijn benen trilden, begon ze hem te bekogelen met de loden gewichten van haar klok. Van die grote gewichten zoals ze aan een staande Friese klok hingen, dus dat kwam hard aan. Nee Akkes-Kil was beslist een hele slechte heks.



De strooppot


Eens, op een donkere, stormachtige nacht, liep een schip op het strand van Texel. De golven beukten over het schip en de wind scheurde de zeilen. De mast sloeg overboord en er sloeg een lek in de kiel. De boeg boorde diep in het zand en de lading rolde door het ruim. Het schip sloeg uiteen en de bemanning verdronk. Geen levende ziel is van het schip gekomen.
Toen de storm ophield en de zon weer scheen, lag het wrak op het strand. De donkere brokstukken staken schril af tegen het blauwe water. De zee klotste om en over het schip en met haar onmetelijk kracht sloopte ze steeds meer van schip. Er lagen brokstukken her en der over het strand verspreid en nog steeds spoelde van alles aan.
Ook de lading dreef naar de kust. Houten kisten, grote pakken en bundels stof, het leek enorm veel voor zo'n klein schip. En tussen al die balen en tonnen die al op het strand lagen, lag ook een heel klein kistje.
De jutter was die dag zo vroeg hij kon naar het strand gegaan, want het nieuws dat er een schip was gestrand, was allang over het eiland gegaan. Met snelle blik monsterde hij wat er aangespoeld was en hij zag iets glinsteren. Het was het kleine kistje, dat vol goud bleek te zitten. Snel liet hij het goud in zijn wijde zakken glijden, want van alle kanten kwamen de mensen al aan met paarden en karren, met zakken en touwen. Ook de strandvoogd kwam met grote stappen het strand opgelopen. Hij had een brede glimlach op zijn gezicht, want dit was nog eens een goede buit.
De jutter sloop met zijn volle zakken langs slinkse wegen terug naar zijn arme hut, ergens aan de Koogerweg.
Maar de strandvoogd miste de dukaten. Er was veel aangespoeld, maar het kistje was leeg. En volgens de scheepsinventaris hadden daar goudstukken in moeten zitten. En hoe het nu kwam is onbekend, maar de strandvoogd verdacht de jutter uit de arme hut aan de Koogerweg ervan de goudstukken te hebben weggenomen. Misschien was het hem ingefluisterd door giftige tongen, misschien was het gewoon de wind, wie zal het zeggen?
Maar vast staat dat de strandvoogd en de schout op weg gingen naar de hut van de jutter om de vermiste goudstukken op te sporen.
Maar ook hutten, al zijn ze nog zo nederig, hebben vensters en mensen kan je soms al van verre zien aankomen. De walletjes langs de paadjes rond het hutje mochten dan hoog zijn, de jutter had met zijn scherpe ogen de schout met zijn rakkers en de landvoogd al aan zien komen.
Het was een goede tijd om langs te komen. De jutter en zijn gezin zaten juist aan de middagmaaltijd. Brij met stroop. De landvoogd en de schout konden een bordje mee-eten als ze zin hadden. Maar daar kwamen ze niet voor, eten konden ze thuis wel beter krijgen. Ze kwamen voor de goudstukken, de kostelijke dukaten.
Dat had de jutter natuurlijk best begrepen toen hij ze aan zag komen lopen, en vlak voor ze bij zijn huisdeur waren liet hij de goudstukken één voor één in de strooppot glijden. Langzaam zonken de goudstukken door de dikke, kleverige stroop naar de bodem van de pot. En juist toen de twee bezoekers binnen stapten, zakte het laatste goudstuk naar beneden en sloot de bruine massa zich boven de glanzende schat.
Toen hem gevraagd werd waar de dukaten waren, hield de jutter zich van de domme. Hij wist van geen dukaten. Hij was wel aan het strand geweest en had er een beetje rondgekeken, maar dukaten had hij niet gezien.
Dat geloofden de heren niet en ze doorzochten de hele hut. De kasten moesten open en het hooi uit de schuur moest naar buiten. Al snel was de huiszoeking voorbij. Want in zo'n arm hutje waren maar weinig kasten en in die kasten zat niet veel. Arme mensen hebben nu eenmaal niet veel hoekjes en gaatjes om schatten te verstoppen.
De schout en de strandvoogd moesten met lege handen vertrekken. Wanneer ze niet zo uit de hoogte waren geweest en hadden aangeschoven aan de eettafel, hadden ze misschien meer geluk gehad.
Jaren later brak de jutter zijn arme bouwval af. Hij zette er een boerenhuisje voor in de plaats en kocht een koe. Hij kocht ook nog wat schapen en geiten. Het verging hem goed. De schapen ooiden en de koe kalfde.
Hij bouwde een schuur en weer later een hooiberg en zo werd de arme jutter een boer. Hij kocht een stuk land en het jaar daarop volgende weer. Er kwamen steeds meer schapen en geiten bij en zo groeide het boerenhuisje uit tot een grote boerderij.
Het spreekt voor zich dat zo'n grote hoeve ook een naam moet hebben. De jutter hoefde er niet lang over na te denken. Wat was een betere naam dan De Strooppot? Want was het eigenlijk niet allemaal aan de strooppot te danken dat het zo in zijn leven gelopen was?
Natuurlijk had het ook aan de jutter zelf gelegen, maar dat is niet iets om ophef over te maken. Jutters zijn altijd slim en handig. Maar zonder die strooppot was alles misgelopen en daarom kun je nu nog langs de Koogerweg een hoeve vinden die De Strooppot heet.



Het Marsdiep


Het Marsdiep kwam op simpele wijze aan zijn naam. Heel vroeger had het natuurlijk helemaal geen naam, zoals dat eigenlijk met alle dingen het geval is geweest. Er was een tijd dat dingen er alleen maar waren, van een naam was nog geen sprake.
Zo was het ook met het Marsdiep. Er was niemand die wist hoe het heette. En het was er beslist niet diep. Wel breed, maar ook niet zo breed als tegenwoordig.
Als je op de goede tijd vertrok, dan had je niet eens een boot nodig om aan de andere kant te komen. Je hoefde alleen maar te wachten tot het eb was.
Dat wisten de marskramers natuurlijk ook. Marskramers waren sowieso slimmeriken. Die moesten immers hun waar aan de man brengen, en daar hadden ze veel trucs bij nodig.
Wat gebeurde er dus? Zodra het eb werd, trokken de marskramers vanaf de punt van Noord-Holland door het vallende water naar Texel en omgekeerd.
En het water maakte hen natuurlijk nat, maar spaarde hun koopwaar. Dat kwam niet verder dan die 'mars'. Het golfde en kabbelde er wel een beetje tegenaan, want water ligt nooit helemaal stil, maar de koopwaar bleef altijd boven het water uitsteken.
En daarom noemde men dit water het Marsdiep. Niks ingewikkelds aan.



Het Eierlandse Huis


Ook het Eierlandse Huis op Texel bestaat allang niet meer. Op de plaats waar het ooit gestaan heeft, staat nu een grote boerderij die dezelfde naam heeft. Het echte Eierlandse Huis is lang geleden verbrand.
Maar toen het er nog stond gebeurden er veel dingen die tegenwoordig niet meer voorkomen. Zoals het geval met de kastelein van het Eierlandse Huis die overleden was. Hij was zo dood als een pier en zou begraven worden.
Maar dat mag goed gaan op andere plaatsen, in het Eierlandse Huis liep dat toen zeker niet van een leien dakje.
De kastelein ging in een kist en omdat hij een goed christelijk mens was geweest, werd hij ook in een behoorlijke kist gelegd. Normaal gebeurt er niets met zo'n kist, maar in dit geval ging het anders. Want de kist ging recht overeind staan. Zomaar zonder dat iemand daar een handje bij geholpen had. Hij rees met het hoofdeinde omhoog en stond daar midden in de gelagkamer van het Eierlandse Huis.
Het was heel erg griezelig, maar de eilanders waren voor geen kleintje vervaard en de kastelein was dood en die moest behoorlijk begraven worden. Dus dat hebben ze gedaan en naar het schijnt is er verder niets met de kist gebeurd.
Dat er wonderlijke zaken plaatsvonden bij het Eierlandse Huis was niet zo heel verwonderlijk want het stond tenslotte op het uiterste puntje van het eiland. De zee golfde op korte afstand en regelmatig overstroomde al het land in de omtrek. Alleen het Eierlandse Huis stond dan rechtovereind in een eindeloze waterplas. Al wat leefde zocht er dan een vluchtplaats en alles wat de zee aanspoelde werd er opgeslagen.
En dan was er nog vlak bij het Eierlandse Huis de Dooiemensenkuil. En het Engelse kerkhof. Daar was het vanzelf al erg griezelig en er gebeurden daar soms vreemde dingen. Vooral de postbode schijnt daar erg veellast van te hebben gehad. Andere mensen bleven er wel uit de buurt bij nacht en ontij, maar de postbode moest zijn post bezorgen, weer of geen weer.
Zo is het ooit een postbode overkomen, op een gure stormavond, terwijl de zee dreunde en de wind gierde, dat kille, klamme handen, koude, dode handen over zijn hoofd streken. Hij kon niets zien, deze postbode, want het was pikdonker. Hij kon ook niets horen, alleen het loeien van de storm en het stampen van de zee. Maar voelen kon hij wel. En hij voelde duidelijk die dode handen over zijn hoofd strijken, over zijn voorhoofd glijden, hij voelde de kille vingers in zijn nek. De kilte ging in een rilling langs zijn rug omlaag, zodat zijn armen verlamden en zijn benen van lood leken.
Zulke dingen gebeurden er vroeger dus bij het Eierlandse Huis. Niet bij de boerderij die er nu staat, maar bij het oude huis, dat ooit verbrand is.



Op zondag zwemt de haring niet


Er was een tijd dat er op Texel twee haringvletten waren. De vissers die op haring wilden vissen, moesten deze boten van de eigenaar huren. Dat was erg onhandig want nu moesten ze elkaar verbeurten. Het gebeurde dagelijks dat er mannen weer naar huis moesten, omdat ze nog niet aan de beurt waren.
Op een keer kwamen er een paar arbeiders uit de Prins Hendrikpolder bij de vlettenverhuurder. Ze wilden de vletten huren.
De eigenaar stond paf. Het was immers zondag!
'Wat?' zei hij. 'Wat? Jullie willen vandaag met de vletten uitvaren?'
'Jazeker,' zeiden ze.
De vlettenverhuurder schudde zijn hoofd. Hij wist wel zeker dat dit geen echte vissers waren.
Hij schudde zijn hoofd en zei: 'Nee, mannen, dat kan niet. Op zondag kan ik mijn vletten niet verhuren!'
De arbeiders uit de Prins Hendrikpolder bleven het echter proberen. Waarom zouden ze die dag niet mogen vissen? 'Waarom niet?' zei de man.
'Waarom niet? Nogal logisch, op zondag zwemt de haring niet!'
0, nou, dat risico wilden ze wel nemen.
Na lang heen en weer praten kregen ze de vletten mee en voeren de zee op. Ze hadden een prachtige vangst, want de haring trok zich er die dag blijkbaar niets van aan dat het zondag was. De mannen hadden daarnaast ook nog eens de zee voor zich alleen.
Hun dag was zo goed dat ze wel meer dan honderd gulden verdienden.
En sindsdien weten de vissers op Texel dat de haring op zondag net zo goed zwemt als door de week.



Neeltjes Nol


Neeltjes Nol kreeg zijn naam van Neeltje en dat ging zo.
Er was eens een boer die wilde dat zijn dochter trouwde met een rijke boerenzoon. Maar dochters kunnen erg eigenwijs zijn als het de liefde betreft en helemaal als het op trouwen aankomt. De vader mag dan wel een goede partij gekozen hebben, het kan gebeuren dat het meisje een heel andere man op het oog heeft.
Zo ging dat ook met Neeltje.
Zij moest van haar vader trouwen met de man die hij voor haar had uitgezocht.
Maar Neeltje weigerde heel beslist.
Niets wat de oude boer zei hielp haar van gedachten te veranderen en ook de rijke, jonge boerenzoon, al maakte hij haar nog zo ijverig het hof, kon Neeltje niet vermurwen. Ze bleef bij haar eerste antwoord en dat was een kort en bondig: 'Nee.'
'Dan maar naar de heks,' besloot de oude vader.
Neeltje zei niets. Ze knikte door haar knie'n van de schrik en werd bleek van angst toen ze hoorde wat haar vader van plan was, maar ze bleef bij haar weigering. Ze wou die rijke boerenzoon niet.
Ze wou hem gewoonweg niet.
Nu zijn oude boeren soms net zo eigenwijs als het om hun vaderlijke macht gaat, als jonge meisjes als het over trouwen gaat. Hij had gezegd naar de heks, en dan moest dat gebeuren ook.
Op een kwade avond bracht hij Neeltje naar de heks, die in een zandheuvel woonde.
De stijfkoppige boer ging die avond alleen naar huis terug en liet Neeltje achter bij de heks.
Wat er met Neeltje is gebeurd weet niemand. Men heeft nooit meer iets van haar gehoord en de zandheuvel heet sindsdien Neeltjes Nol.
Het leven is veranderd in de loop der tijden en hoewel er nog steeds oude boeren zijn die proberen de man voor hun dochter te kiezen, worden de onwillige meisjes allang niet meer naar de heks gestuurd. Want die zijn sinds lang van Texel verdwenen.



De Prins Hendrikpolder


De oude loods van Texel, Lap, woonde op de Hart-Last. Met behulp van een paar anderen had hij de Kattenpolder ingedijkt. Maar het was een lastig stukje land, er groeide niet veel in deze polder en het water bleef terugkomen. Het stukje land gaf de oude Lap dus veel zorgen, vandaar dat hij het waarschijnlijk ook Hart-Last had genoemd. Tegenwoordig heet het Atlas.
Op een keer moest loods Lap prins Hendrik buitengaats loodsen. De avond tevoren ging hij al aan boord om de volgende morgen meteen bij gunstig tij en gunstige wind uit te kunnen varen.
Vlak voor vertrek kwam de postbode nog langs met een brief voor de loods. Lap opende brief en las hem in het bijzijn van het vorstelijk gezelschap. De prins zag aan het gezicht van de oude loods dat het slecht nieuws moest zijn.
'Wat is er, Lap? Heb je slecht nieuws gekregen?'
Jazeker was er slecht nieuws: die nacht was de Kattenpolder weer onder water gelopen. En zoals een vorstelijk persoon dan kan reageren, zei prins Hendrik: 'Zet die hartlast maar van je af, Lap. Ik koop die hele polder van je. Zeg maar wat ie kosten moet!'
En dat is de reden waarom de armzalige Kattenpolder van de oude loods nu de Prins Hendrikpolder heet, waar alles altijd in voorspoed bloeit en groeit.
Er is nu niets meer dat aan de altijd veel zorg gevende Kattenpolder doet denken, behalve de plaats Atlas, die er nog altijd staat, maar die dus eigenlijk Hart-Last heet.



De Jan Klaassen Nol


Vroeger was het een gewone nol, net als alle andere duinen in het Texelse landschap. Hij viel niet op tussen de andere nollen, er was niet bijzonders mee, en niemand had ooit over deze nol gesproken.
Maar toen had hij ook nog niet de naam die hij nu heeft: de Jan Klaassen Nol. Die naam kreeg hij pas nadat er iets had plaatsgevonden dat ervoor zorgde dat hij niet meer gelijk was aan de eerste de beste zandheuvel.
De eilandbewoners fluisterden griezelige verhalen over de Jan Klaassen Nol. Het was niet verstandig daar een strik voor konijnen te zetten, want er konden daar rare dingen gebeuren.
De konijnen konden er ongestoord leven en hoefden zich niet meer ongerust te maken. Voor stropers. Ze waren er veilig.
Waarom wisten de konijnen natuurlijk niet, maar alle mensen uit de wijde omtrek wisten hoe het Jan Klaassen vergaan was, toen hij op een nacht konijnen wilde gaan stropen bij die nol.
Jan Klaassen is in de nol gestikt. Hoe het kwam? Vraag het niet!
Maar sindsdien heet die zandheuvel de Jan Klaassen Nol.



Vijftig bunders land voor een half pond tabak



Op Texel had men soms rare gewoontes. Neem nou bijvoorbeeld het verkopen van land, met name dat van Eierland.
Tegenwoordig is Eierland een moderne polder, met rechte sloten en rechte wegen. Overal weiland, zover men kan zien. Het verkopen van land gaat er nu ook heel keurig aan toe. Maar vroeger...
Wie wou er nou land hebben dat bestond uit een woestenij van moeras, veen en klei, met water en riet? Wat zou je ermee moeten?
Nu was er eens een boerenknecht en men vertelde dat hij af en toe de kolder in zijn kop had. Deze knecht dacht dat het wel leuk zou zijn om een eigen stukje land te hebben. Hij ging naar het polderbestuur en vroeg hoe groot het was.
'Vijftig bunders,' was het antwoord.
'Nou, daar geef ik een half pond tabak voor,' zei de boerenknecht. 'Graag of niet.'
Nou is een half pond tabak niet erg veel, maar het is altijd nog meer dan niets, dus het polderbestuur ging akkoord en de boerenknecht werd eigenaar van vijftig bunders land.
Maar zoals gezegd had de boerenknecht af en toe de kolder in zijn kop. Hij vergat zijn vijftig bunders en vertrok op een goede dag naar Amerika om nooit meer terug te keren.
Toen het tijd was de polder belastingen te innen en het polderbestuur de eigenaar niet meer kon vinden, heeft het de vijftig bunders maar weer terug genomen. Wat moest het anders doen?



De Sommeltjesberg


Men zegt dat het in lang vervlogen dagen heeft gespookt op Texel. Dat er geheimzinnige dingen gebeurden, staat in ieder geval vast. Want de Sommeltjesberg bijvoorbeeld, is een heel geheimzinnige heuvel.
Hij bestaat niet meer, hij is lang geleden afgegraven. Archeologen en andere geleerden hebben hem grondig doorzocht en er niet veel geheimzinnigs in gevonden. Alleen wat Romeinse munten en wat antieke beeldjes en andere spullen. De geleerden zijn er dus van overtuigd dat er niets met de Sommeltjesberg aan de hand was.
Maar geleerden zijn nuchtere mensen, die alleen geloven in wat ze zien en wat met feiten bewezen kan worden. Dus de geheimzinnige zaken, dat waar de Texelaars over fluisterden, zijn ze niet tegengekomen. Maar dat neemt natuurlijk niet weg dat de Sommeltjesberg vroeger vol geheimzinnigheden zat.
De hele heuvel zoemde ervan, het leek wel een bijenkorf. De hele berg gonsde en suisde van de Sommeltjes.
Niemand heeft ze ooit gezien, daarvoor waren de kleine aardmannetjes veel te slim. Overdag hielden ze zich schuil in hun berg, maar 's avonds kwamen ze te voorschijn. Vooral in extra donkere nachten als de stormen over het eiland beukten, kropen ze voorzichtig uit hun heuvel. Dan kropen ze in de wijde omtrek rond.
Ze deden nooit iemand kwaad, de Sommeltjes, maar de mensen vonden het toch griezelig dat er duizenden van die kleine mannetjes in de Sommelberg woonden.
Maar nu de berg is afgegraven, zijn de Sommeltjes van Texel verdwenen.



De Engelse steen


Op de Hoge Berg van Texel lag vroeger een reusachtige steen. Een hele zware, ruwe steen. Tegenwoordig ligt hij er niet meer, hij is allang verdwenen, maar in die tijd lag hij er nog.
Zo'n steen lijkt een gewoon natuurverschijnsel. Want in de Hoge Berg liggen wel meer grote stenen, de gletsjers hebben ze lang geleden meegebracht.
Maar deze steen was anders. Het was een steen van kolossale afmetingen. De Texelaars noemden hem de Engelse steen. Men sprak vol huivering en ontzag over deze steen.
En dat kwam niet alleen doordat hij naast het galgenveldje lag, hoewel dat natuurlijk ook wel meehielp. Er was een andere reden voor.
Het mysterieuze van de steen zat hem in zijn afmetingen. Want wat je op de Hoge Berg zag was slechts de kop van de steen. Het punt was: waar was het andere eind van de steen?
Men had geprobeerd het te vinden door diep rondom de steen te graven, maar men kon het eind niet vinden. En dat was natuurlijk ook onmogelijk, want de steen reikte, onder zee door, heel tot in Engeland.
En daarom noemde men hem de Engelse steen.


De Dodemansweg



De Dodemansweg op Texel kwam ook op een speciale manier aan zijn naam.
Op een keer liepen twee mannen langs de weg, die toen nog geen Dodemansweg heette, en eigenlijk helemaal nog geen naam had, zoals wel meer dingen vroeger.
Het was een stikdonkere avond en de twee kwamen uit Den Burg. Ze hadden daar zaken gedaan en zoals dat dan gaat, daarna nog eens een flinke borrel gedronken.
En in de herberg merk je daar niks van, maar als je dan weer buiten in de frisse lucht staat, kan de wereld ineens heel anders zijn. Dan kan het gebeuren dat je dingen ziet die er helemaal niet zijn.
Zo ging het waarschijnlijk ook deze twee mannen. Ze liepen samen langs het pad en zeiden niets. Het was een vreemde avond, dachten ze. Er waren rare geluiden en de wind zuchtte en steunde heel wonderlijk. En ze dachten nog veel meer.
Ineens dachten ze alle twee dat ze met zijn drie'n liepen. Dat was natuurlijk niet zo, maar voor hen beiden was het net alsof er een derde meeliep. Tussen hen in, en die derde zweeg als het graf. De beide mannen zwegen ook, van schrik, want dit was een ijselijke situatie.
Als er zomaar een dode man met je meeloopt, lopen de koude rillingen vanzelf langs je rug. Een dode die zomaar met je mee stapt en die geen mond opendoet. Doodeng. Zoiets vreselijks is nooit meer voorgekomen, maar de Dodemansweg had zijn naam.



Wie gaat er mee naar Wieringen varen?


Het gebeurde lang geleden en het begon zoals zulke dingen wel vaker beginnen: in de taveerne. Aan de haven van Oudeschild op Texel zaten een aantal schippers en vissers bij elkaar. De smid en de jongste zoon van de bakker waren er ook. De bakkerszoon had al wat te veel gedronken voor zijn leeftijd.
Toen kwam de zure Zeeger binnen. Niemand mocht hem graag, maar hij had veel geld en dan kun je iemand altijd beter te vriend houden, was de algemene gedachte.
Zeeger had zojuist de schrik van zijn leven gehad. Hij viel meteen met de deur in huis.
'Ik heb een zwarte kat gezien,' vertelde hij. 'Gelukkig ben ik er altijd op bedacht, dus zag ik hem voordat hij mij zag. Dus ik wachtte een hele tijd zodat hij mijn pad niet kon kruisen. Ineens loste hij gewoon op en verdween door de muur!'
Alle aanwezigen hielden hun gezicht in de plooi, behalve de zoon van de bakker.
'Zeeger heeft een spook gezien!' kraaide hij.
Vals zei Zeeger: 'En weet je waar ik hem zag verdwijnen: in de muur van jouw tante Jans. En bij haar deur stonk het naar zwavel toen ik er langsliep.'
Dat pikte de bakkerszoon niet. Hij liet zijn tante niet van hekserij beschuldigen.
'Ach man, je hebt Moortje gezien. De kat van tante Jans gaat altijd door een kier in het raam naar binnen en naar buiten. Misschien komt hij er zo wel weer voor je uitklimmen als je langsloopt. Kun je hem aaien, als hij je tenminste niet krabt. Die Zeeger, bang voor een onnozele kat! Om je gek te lachen!'
En dat deed hij ook. De anderen hielden zich stil, maar Zeeger kon zien dat zij zich kostelijk vermaakten. Om de anderen te overtuigen van het onheil dat hij gezien had, begon hij te praten over heksen die de beesten ziek en de melk zuur maakten. Hij was ervan overtuigd dat heksen bestonden en was nu ook echt bang.
'Het ergste,' zei hij, 'zijn de weerheksen, die kunnen voor storm en mist zorgen. Die varen in een wastobbe over de Zuiderzee. Dat is toch gruwelijk, zulke tovenarij!'
De bakkerszoon schreeuwde meteen: 'Varen in een wastobbe stelt niets voor. Dat kan ik ook. Ik vaar in de deegtrog van mijn vader nog van hier naar Wieringen.'
Nu barstte iedereen in lachen uit.
'Dat is nog eens mannentaal!' riep de smid. Zeeger was wit van nijd.
'Wil je wedden, jongen? Als jij in die deegtrog naar Wieringen komt, krijg je van mij vijftig dukaten. Lukt het je niet, dan krijg ik er vijftig van jou.'
Nu werd de bakkerszoon ineens erg rustig. Toen zei hij bedachtzaam: 'Voor die vijftig dukaten doe ik het niet, dat heb ik niet. Maar ik wil wel wedden om die tweede boerderij van je, achter het schapenland. Tegen al mijn spaargeld.'
'Jongen, je bent niet wijs,' zei de smid.
'Die centen heb je gespaard om te kunnen trouwen!' riep de oude loods.
Maar Zeeger schreeuwde eroverheen: 'Aangenomen! Dat lijkt me een uitstekende ruil, jou armzalige spaarpotje tegenover mijn boerderij achter het schapenland. Jullie zijn allemaal getuigen!'
De volgende morgen had iedereen er een zwaar hoofd in, behalve Zeeger en de bakkerszoon. Zeeger geloofde geen moment dat de jongen het werkelijk zou doen. Straks kwam hij natuurlijk zeuren om de weddenschap ongedaan te maken. Maar Zeeger zou hard zijn en de jongen zou zijn spaargeld dan onherroepelijk kwijt zijn. Dan zouden de mensen ook weten dat er met Zeeger niet te spotten viel.
De bakkerszoon dacht echter geen moment over terugtrekken. Zijn vader vond hem een dom snotjoch en zijn verloofde snikte.
'Niet doen,' huilde ze. 'Straks verdrink je en dan ben ik je kwijt.'
'Ach, welnee, malle meid,' lachte de jongen. 'Die deegtrog is een degelijke, waterdichte platbodem. Ik ken het stuk water tussen Texel en Wieringen zoals de haringen zelf. En als ik win, dan kunnen we gelijk trouwen en op de boerderij gaan wonen.'
Er was geen dag afgesproken, dus de bakkerszoon wachtte tot het weer gunstig was. Dat was een week later. Er was geen wolkje aan de hemel, de zee was kalm en er kwam een licht briesje uit de goede richting, het noord-westen.
Hij hielp die nacht zijn vader nog met broodbakken, zoals hij altijd deed, en bij het krieken blies hij op zijn hoorn ten teken dat het brood klaar lag. Zijn vader ging aan de verkoop en zelf schrobde hij de deegtrog uit. Toen reed hij hem op een kruiwagen naar de waterkant.
Daar stond al een kluitje mensen op hem te wachten, de mannen uit de taveerne, zijn vrienden en zijn snikkende verloofde. Zeeger was er ook, maar hij stond heel alleen en niemand groette hem. Het maakte hem zuurder dan ooit.
De deegtrog ging met een plons te water en de jongen stapte erin. Hij had dikke sneden brood bij zich, een kruik bier en drie roeispanen. Twee om te roeien en de derde zette hij tussen zijn knie'n en bond er zijn bakkershemd aan. 'Die redt het wel,' lachte de oude loods.
'Kom gauw terug, dan kan ik de vloer van ons nieuwe huis gaan schrobben,' riep de verloofde van de bakkerszoon.
Zeeger keek haar vals aan. Hij hoopte van harte dat de jongen zou verdrinken, dan zou je zien hoe eerbiedig ze tegen hem zouden worden.
En eerlijk gezegd, de meeste mensen aan de kant verwachtten niet veel anders. Het was en bleef een hachelijk avontuur. Nadat ze de zoon van de bakker hadden uitgewuifd, liepen ze stil naar huis. Alleen de verloofde bleef staan zwaaien tot de deegtrog allang uit zicht was.
De jongen at zijn brood en nam af een toe een slok van zijn bier. Zo nu en dan stuurde hij bij met zijn riemen. Roeien was niet nodig, want het bakkershemd bolde gezellig in de wind. De zee klotste vriendelijk tegen de wand van de deegtrog. Meer valt er niet over de reis te vertellen, want meer gebeurde er niet. Alles bleef zo tot hij in Wieringen aan wal ging.
Daar hadden ze hem aan zien komen. Een stipje dat op een stuk wrakhout leek en later op een vierkante trog. En toen zagen ze dat er iemand in zat, het werd al gekker.
Toen de jongen aanlegde, stond half Wieringen te lachen op de kade. De schout en zijn rakkers moesten komen om de orde te bewaren, want er was meer volk op de been dan op de kermis. Hierdoor waren er getuigen in overvloed om te verklaren dat de bakkerszoon de overtocht in de deegtrog had volbracht.
De volgende dag kon hij op een vissersschuit mee terugvaren, met deegtrog en riemen en al. In de taveerne werd een groot feest gevierd en een week later was er een nog groter feest. Op de helder geschrobde vloer van hun nieuwe boerderij werd de bruiloft van de bakkerszoon en zijn verloofde gevierd.
Ook Zeeger was keurig uitgenodigd. Maar Zeeger zat thuis, rillend van angst. Het was erg onplezierig dat hij zijn boerderij achter het schapenland kwijt was. Maar er was nog iets veel ergers. Hij had een afschuwelijke ontdekking gedaan, toen hij de jongen gezond en wel weer voor zich zag staan. Hij had er eerder niet over nagedacht, maar als varen in een tobbe heksenwerk was, dan was varen in een deegtrog dat zeker! Dan moest de man die in een deegtrog naar Wieringen kon varen wel een heksenmeester zijn!
Het zat in de familie, want was de jongen niet een neef van Jans? Het was een machtig tovenaarsgeslacht! Nooit van zijn leven zou Zeeger die familie nog een strobreed in de weg leggen. Hij zou nooit meer iets kwaads over ze zeggen. Voor de bakkerszoon was Zeeger voortaan even bang als voor de lichtende ogen van een zwarte kat.