Het Open Boek Texel

< Terug



D e  a f v a l r a c e  
T h e u n i s  P i e r s m a
Uit Op de vleugels van de wind, wadvogelverhalen



Het is Koninginnedag en op Texel houden we in spanning de zuidelijke horizon in de gaten, want de rosse grutto's zijn in aantocht! Ze vertrokken een paar dagen geleden van de Banc d'Arguin in Mauritanië. Drie dagen onafgebroken vliegen zijn nodig om de 4500 kilometer naar de Waddenzee te overbruggen. Ze blijven hier tot de eerste dagen van juni, wanneer ze opgevet doorvliegen naar de Siberische broedgebieden. Eind juli verwachten we ze weer terug op het wad.
Eind juni en begin juli zijn in modderige delen van de Waddenzee vaak zwarte ruiters te vinden. Die broeden in de venen en beboste toendra's van noordelijk Scandinavië en Noord-Rusland. In de Waddenzee ruien ze hun lichaamsveren. Van opvallende zwarte vogels veranderen ze in lichtgrijs. Dan trekken ze door naar tropisch Afrika. Waarheen precies, dat weten we niet.
Half juli keren de eerste kanoetstrandlopers terug van de arctische toendragebieden. De meeste kanoeten die we in juli op het wad tegenkomen zijn vrouwtjes die hun partners bij de piepkleine kuikens hebben achtergelaten in het vijfduizend kilometer verre Noord-Siberië. Begin augustus trekken ze alweer verder. Naar Mauritanië, Guinée-Bissau of misschien wel Namibië of Zuid-Afrika. Tegelijkertijd komen er kanoeten uit de Canadese en de Groenlandse broedgebieden de Waddenzee binnen. Zij zijn wat later, omdat ze in IJsland een tussenstop hebben gemaakt.
Zo is er iedere week van het jaar wel wat te zien op het wad. Vogels die komen en vogels die gaan. En vogelwaarnemers die dat in hun notitieboekjes opschrijven en de gegevens later verwerken tot grafieken. Het ene jaar zijn het er wat meer, het andere jaar wat minder. Het ene jaar zijn ze gemiddeld wat eerder, het andere wat later. Maar elk jaar zijn ze er. Eigenlijk vinden we dat heel gewoon.
Toch is dat helemaal niet zo vanzelfsprekend. De vogels die we zien zijn geluksvogels, de vogels die het gehaald hebben. Die op het goede moment zijn begonnen om op te vetten en te ruien, op tijd zijn vertrokken, langs de goede route en op de goede vlieghoogte hebben gevlogen, niet verzeild zijn geraakt in slecht weer en dus geen noodlottige tussenlanding hebben hoeven maken. En het zijn nakomelingen van wadvogels die niet alleen dát allemaal goed hebben gedaan, maar ook nog een partner hebben gevonden, eieren hebben gelegd op een plek die niet werd gevonden door een hermelijn of een poolvos, en die hun kuikens adequaat hebben beschermd tegen jagers en meeuwen. Wat we zien zijn wadvogels die, in tegenstelling tot de meeste soortgenoten, hun eerste onzekere levensjaar hebben overleefd.
Neem nou eens de rosse grutto's die de winter op het winderige, maar zonnige wad van Mauritanië, de Banc d'Arguin, doorbrengen. Van begin november tot begin maart hoeven ze niks anders te doen dan met een minimale voedselbehoefte in leven te blijven. Begin maart verandert dat. Op borst, buik en rug leggen ze splinternieuwe, roestbruine lichaamsveren aan en ze vetten op om naar de Waddenzee te kunnen vliegen. Het mag er dan zonnig zijn, een echte vetpot is het op de Banc d'Arguin zeker niet. Rosse grutto's maken lange dagen. Ze gebruiken de hele laagwaterperiode, dag en nacht, om te eten. Elke dag komt er een paar gram bij. Tegelijkertijd veranderen ze van onopvallende grijzige grutto's naar uitgesproken, roestbruine, rosse grutto's.
Toch halen de meesten de Nederlandse Waddenzee maar nét. Ze halen het als ze in een goede groep vliegen. Net als bij fietsers, hebben de vogels het aan de kop het zwaarst en kunnen de volgvogels van het kielzog profiteren. Net als fietsers wisselen ze het op kop vliegen met elkaar af. In groepen van vijftig tot honderd vogels zoeken ze op hoogtes van twee tot vijf kilometer naar goede winden. Met de wind in de rug is de viereneenhalfduizend kilometer lange tocht in korte tijd te overbruggen. Soms zijn zulke rugwinden onvindbaar. Dan vliegen de rosse grutto's tegen de wind in en moeten ze te lang in de lucht blijven om de Waddenzee in één keer te halen. Als ze mazzel hebben, kunnen ze wel een van de West-Franse Waddengebiedjes bereiken. Met nóg meer mazzel slagen ze er dan ook nog in de nietsontziende Franse jagers te ontwijken.
Bij aankomst in de Mokbaai op Texel doen de zichtbaar uitgehongerde en uitgeputte rosse grutto's meestal eerst een tukje. Dan begint het volvreten opnieuw, als tenminste goede foerageergebieden worden gevonden. Rosse grutto's kunnen terecht op het wad, waar ze zeeduizendpoten en nonnetjes eten, en in de grazige polders nabij de kust, waar ze zich aan emelten tegoed doen. In het Waddengebied leggen rosse grutto's gemiddeld twee keer zo veel gewicht per dag aan als in Mauritanië. Dat doen ze door elke dag het equivalent van zestig met boter en kaas belegde boterhammen te eten.
Gedurende die maand in de Waddenzee wordt er nogmaals gewerkt aan het roestrode broedkleed. Gek genoeg zijn het vooral de mooi uitgekleurde rosse grutto's die er een schepje bovenop doen. Sommige vogels redden het kennelijk niet en laten die extra rui dus maar zitten. Vaak is hun broedkleed niet voltooid en altijd zijn ze relatief licht van gewicht. Bij aankomst uit Afrika hebben ze last van bloedarmoede en zijn ze gevoelig voor darmparasieten. Zulke vogels moeten maar afwachten of ze een partner aan zich kunnen binden. Als ze de toendra al halen.
Dit geldt waarschijnlijk voor veel steltlopers die in het voorjaar de Waddenzee aandoen. Kanoeten bijvoorbeeld. Succesvolle kanoeten zijn zomers ook roestrood van kleur en ze broeden, net als rosse grutto's, op de toendra's van het hoognoordelijke schiereiland Taymyr in Centraal-Siberië. Begin juni komen ze daar aan. Als het een beetje meezit, begint de sneeuw juist weg te smelten. Dan komen de eerste eetbare insectenlarven te voorschijn. Als het tegenzit, moeten ze een eindje terugvliegen en hongerend de weersverandering afwachten. Soms komt de poolzomer te laat. Dan leggen veel kanoeten het loodje.
Meestal gaat het echter goed en proberen mannetjes luid baltsend en zingend in de lucht een vrouwtje voor zich te winnen. Is dat eenmaal gelukt, dan volgt een paring. Het vrouwtje begint ergens op de weidse toendra haar vier eieren in een door het mannetje gedraaid nestkommetje te leggen. Iedere dag één. Tijdens het broeden wisselen ze elkaar af, om de achttien uren de ander. Bij de schaarse nestaflossingen ontmoeten ze elkaar steeds even, in totaal een paar seconden per dag. Drie weken houden ze dat samen vol. Als ze tenminste niet door een poolvos worden ontdekt. Zodra de kuikens uitkomen, verlaten de moeders hun man en hun kroost. Ze verzamelen zich op de toendra en proberen in een paar dagen tijd hun gewicht op te krikken door dag en 'nacht' insecten te eten. Zo kunnen ze na een lange vlucht in juli alweer op het wad zijn.
De kuikens van kanoeten zoeken zelf hun voedsel. Ze eten springstaartjes, spinnen en grote insecten, zoals langpootmuggen, die ze van de toendravegetatie pikken. Kleine kuikens blijven maar moeilijk op temperatuur. Als ze afgekoeld zijn, worden ze tussen de borstveren aan de warme, kale broedvlek van hun vader opgewarmd. De kanoetenvader probeert z'n kroost ook te beschermen tegen kuikenetende jagers. Na een week of drie zijn de kuikens vliegvlug. Dan gaat pa er samen met andere vaders vandoor. Eerst naar de Waddenzee, dan verder naar West-Afrika. Sommige kuikens kunnen zich aansluiten bij de vertrekkende groepen volwassen mannetjes, andere zullen het samen met andere onervaren jongen moeten redden. Veel jonge vogels halen het niet in één vlucht en komen onderweg om.
Voor de gelukkige vliegers is er de Waddenzee om aan te sterken en op te vetten. De oude vogels trekken in augustus al weer door naar Mauritanië, de jongen volgen wat later. Ze doen dat waarschijnlijk in kortere etappes dan hun ouders en riskeren dan alsnog een confrontatie met die nietsontziende jager als ze ergens langs de Franse kust nonnetjes aan het eten zijn. Of ze onderweg moeten bijtanken hangt af van de omstandigheden in de Waddenzee. Een wad waar geen broedval heeft plaatsgevonden, of een door de schelpdiervisserij verwoest wad waar geen kokkeltjes en nonnetjes meer voorkomen, kan er de reden van zijn dat ze niet op tijd of niet met het goede gewicht kunnen vertrekken. Hoe beter de omstandigheden in de Waddenzee zijn, hoe minder risico's wadvogels lopen.
Rosse grutto's, kanoeten en andere wadvogels leven een leven op het randje. Altijd hebben ze haast en vaak gaat het allemaal maar net goed. Hoe vanzelf spreekt het eigenlijk om rosse grutto's in mei, zwarte ruiters in juni en kanoeten in juli te zien?