Het Open Boek Texel


< Terug



 

De beschieting van Den Burg




Herinnering van Frans van Ingen-Schenau, opgeschreven februari 2005 n.a.v. de brief van Henk Remmers over de Opstand Georgiërs in april 1945 en daaropvolgende gebeurtenissen tot de bevrijding.

In aansluiting op het internet-verhaal met de brief die Henk Remmers aan zijn familie schreef na het bombardement van Den Burg, hoe zijn gezin het bombardement overleefde en zijn schoonzuster kwam te overlijden, hier mijn aansluitende belevenissen tijdens het bombardement.


De 6e april 's morgens had vader aan de oproep om naar Texla te komen gevolg gegeven, maar hij kwam al gauw terug omdat de toestand daar nogal chaotisch was en er zelfs granaten ontploften en slachtoffers waren gevallen.
Na de middag ging ik Den Burg in om eens te zien hoe het gesteld was bij Tante en oom Kees Kievit, die op de Groeneplaats aan het Raaksje woonden.

Alles was daar goed en bij hen vandaan liep ik naar oom Henk en tante Joos Remmers, die in de Wilhelminalaan woonden.
Oom Henk was nog een kennis uit de zeevaarders tijd en in de dertiger jaren werd de vriendschap weer opgevat, toen de familie Remmers in Medan op Sumatra's oostkust woonden en oom Henk als kapitein bij de KPM vanuit Belawan naar Rangoon (Birma) voer.
De families hadden elkaar (toevallig) weer ontmoet in het Medanse zwembad.

Bij de familie Remmers was ook alles goed, ik bleef nog wat zitten praten en toen hoorden we schieten, maar dat was al eerder gebeurd die dag, dus werd er niet zoveel aandacht aan geschonken. Oom Henk had in de tuin een bergplaats laten bouwen, en daar er meteen een soort schuilkelder van laten maken: met dikkere muren, een betonnen dak en een stalen deur.

Na enige tijd leken de ontploffingen wel dichter bij te komen en zelfs zag ik ineens granaten inslaan in de tuin bij het Achterom. Paniek.

Oom Henk verzamelde zijn vrouw Joos, tante Theo (haar zuster die bij hen was) en de twee dochters, en gingen op weg naar de schuilkelder.
Maar ik ging liever niet het gevaar tegemoet om door de tuin naar de schuilkelder te gaan, maar ging de voordeur uit en stak de straat over op weg naar het weiland achter de Wilhelminalaan, waar je de ruimte had.
Terwijl ik de Wilhelminalaan overstak ontploften de granaten rondom en vluchtte ik een huis aan de overkant binnen.
Gelukkig dat in die tijd de voordeuren overal nog los zaten, zodat ik zo de gang in kon lopen en in het kozijn van de keukendeur kon gaan staan.
Ik hoorde het gezin Boeschoten in de kelder zitten, de kinderen huilden en vader en moeder probeerden hen te sussen.
Maar de kalk viel van het plafond in de gang, en ik vond het er toch niet zo veilig.
Dus de keukendeur uit, en via de tuin naar het achterliggende weiland.

Daar kwam ik terecht in een groen weggetje, met aan weerszijden tuinwallen. Hollend door het paadje viel er een granaat in een kippenhok links van mij, de veren en de stukken kip vlogen in het rond en het was daar dus ook niet veilig.

Verderop achter de rechter tuinwal zag ik twee hooirookjes (hooiklampen), dat leek me beter omdat je daar van drie kanten beschut lag.
Dus over de tuinwal en plat op de grond. Daar heb ik het verder maar afgewacht.

Op een gegeven moment hoorde ik iemand mijn kant op lopen. Even later strompelde de persoon vlak voor me langs, en zag ik dat het mijn neef Hans de Jongh was, die bij zijn verloofde ondergedoken zat, bij timmerman Koorn in de Wilhelminalaan.
Ik riep hem en trok hem naast mij in de beschutting.
Hans zijn gezicht was aan één kant door steengruis geperforeerd, maar het bloedde gelukkig niet erg.
Maar hij hield zijn rechterarm naar voren, daar was een granaat scherf door zijn pols gegaan.
Een beetje EHBO-onderwijs kwam goed van pas: ik knoopte mijn zakdoek om zijn arm, en met een zakmes als draaier bond ik de arm af om het bloeden te stelpen. We hebben daar gelegen tot het bombardement afgelopen was, en toen ben ik hulp gaan zoeken. Maar iedereen die je tegenkwam op de Wilhelminalaan had het druk met zijn eigen slachtoffers, dus op hulp was niet te rekenen.

Zo goed en zo kwaad als het ging, zijn we naar het noodziekenhuis in de Gasthuisstraat gelopen en daar heb ik Hans op een stretcher in de gang achtergelaten. 's Avonds was hij aan de beurt en is hij geholpen.
Gelukkig was de verwonding niet al te ernstig, hij hield er wel een groot lidteken aan over en zijn rechter wang is altijd getatoueerd gebleven.
Het was blijkbaar niet mogelijk om al het gruis te verwijderen.

Thuisgekomen bleek dat er op het Schilderend geen schade was, alle ruiten waren zelfs nog heel.
Vader vertelde wel dat ze bezoek hadden gehad van Wim Mulder en nog een jonge man die lopend door de weilanden vanaf Den Hoorn waren gekomen.
Ze waren door soldaten van de Duitse 'Fahrbereitschaft' gevangen genomen in Den Burg, met 14 man in een vrachtwagen op weg naar de Mok waren zij uit de vrachtwagen gesprongen toen die voor Den Hoorn wat langzamer reed.

Bij ons hebben ze geinformeerd hoe de zaken er in Den Burg voorstonden.
Vader en moeder hadden tijdens het bombardement onder de tafel in de eetkamer gezeten, wij hadden geen schuilkelder en geen kelder.
We waren wel blij dat we er goed af waren gekomen.
Vader had zich in de mobilisatietijd opgegeven bij de luchtbescherming, en hij was aangesteld als chauffeur op de bestelwagen van de firma Vlessing, die als ambulance werd gebruikt.

Of hij na het bombardement nog als chauffeur heeft dienst gedaan kan ik me niet herinneren, misschien was de ambulance ook al eerder gevorderd door de Wehrmacht?
Waarschijnlijk de volgende dag, kwam vader thuis met het bericht dat Graafs' Lunchroom ingericht was als dependance van het noodziekenhuis en dat er vrijwilligers gevraagd werden. Daar ben ik op af gegaan en werd ik als kok aangesteld, samen met een Groningse onderduiker.

Nu 60 jaar later zijn de herinneringen nog duidelijk, maar als ik het boekje Tragedie op Texel van J.A.v.d. Vlis nog eens doorlees, besef je pas hoe je bewaard bent gebleven.

Na de onrust van de voorgaande nacht, de beschieting op Texla en wat er daarna op die ochtend in Den Burg was voorgevallen, ben ik onbewust van gevaar Den Burg ingelopen. Op het Schildereind hadden we weinig van de gebeurtenissen meegemaakt, je wist niet wat er gaande was als je het niet opzocht.

Ik moest eens even poolshoogte nemen op de Groeneplaats.
Daar heb ik niets van schieten of wat anders gemerkt. Ook op weg naar de familie Remmers, via het Achterom, was alles rustig.

Je was niet opgewonden of onrustig zolang er niets aan de hand was, we hadden al het een en ander meegemaakt gedurende de oorlogsjaren en onze Assen/Vries periode, en het was altijd goed gegaan.
Je paste je aan aan de omstandigheden, dacht niet aan wat je wel zou kunnen overkomen.
Ook tijdens het bombardement was je alleen beducht waar je misschien veilig zou kunnen zijn.
Je was eigenlijk vrij fatalistisch en wachtte je het maar af.

We wisten in de weken daarna ook eigenlijk niet wat er op het eiland allemaal plaatsvond, je kwam niet in aanraking met mensen van buiten Den Burg.
Pas na de oorlog hoorde je wat zich over het eiland had afgespeeld.


Frans van Ingen-Schenau







Een foto uit 1945 van een groep Georgiërs bij het noodziekehuis (Weverstraat 95) in Den Burg

Achteraan in het midden Frans van Ingen
Voor hem een onderduiker uit Groningen, Hennie de Bloois en verpleegster Tiny Krijnen