Het Open Boek Texel

< Terug



A c h t  g e d i c h t e n
L i n d e r  K u i p e r
Uit Vlakbij mijn hoofd wat afgedwaalde schapen


Natte wilgen

Weiden en hoorbaar grazen
in de verte, de doorwaadbare grens
van nat geworden avond,
waarin geluiden zich verdringen en het
uitzonderlijk betoomde ademhalen
der dieren oplost in de mist.

Daarboven drijft het maanlicht, laag
reikend naar je haar, je stem
die haast dezelfde glans verspreidt
in de stilte die aan ogen, mond,
verkoelde voorhoofden en handen
zichzelf, verstijvend openbaart.

Geluiden uit een dichte bron:
snorrende vleermuizen en opgezweepte kikkers
gaan verloren in gehoorgangen vol stilte.

Lopende voeten ruisen in het gras.
Natte wilgen drinken rustig water.


Achter de hoogte

Over het stilstaan gesproken,
en het weerom gaan niet te na:
langs 't achterpad van Gerrit A.
vanmorgen de liguster weer geroken.

Met een formule, ergens in de la
van m'n bureau, ontraadselt zich de sproke.
Tot aan die tijd, de jaren mee ontdoken,
zijn we getwee met wat ik onderga

in 't haalbare: de taal staat dicht
opeen en zinsneden genoeg
om zich van 't onderwerp niet meer te scheiden.

Zijn huis, in wit, onhelder licht,
't zilver van elke specievoeg,
schim in de spiegelkast, die 'k graag mag lijden.


Pan

Hoornvee staat sloom de slootkant te herkauwen.
Het is een warme dag van mei- of junimaand
en lang geleden, eensklaps naast me staand
bedacht de tijd mij hier, in goed vertrouwen

op 't geel van dotterbloem en paardestaart.
Blauwe verlatenheid drijft op een lauwe,
zomerse wind uit zee. - Er is zo gauw geen
antwoord op de wolk die overvaart.

Vanavond brengt de dorpsfanfare aan
het echtpaar Oudemanse de aubade,
versiersel van elk gouden bruiloftsfeest.

Gouden bazuinen en een gouden maan. -
Door 't feestgedruis na jaren huiswaarts wadend,
staan weer ineens die koeien voor m'n geest.


In wilde geuren

Zo onder vreedzaam licht
sta ik in wilde geuren;
wat wordt op haar gezicht
in mij opnieuw geboren?

Een lichtblauw landschap,
rijpend koren, klaproos, vogels?

Gestalte te bekend om te beschrijven
onder de zomerhemel die, verdiept
met witte wolken, vorm
en inhoud heeft voor twee.

Geur niet, liefste, met je lichaam,
ik ben te fijn verdeeld, een zwerm
die in verwarring raakt,
zoekend je honing.


Vroege ochtend

't Gedicht is als een huis, liefst zonder buren.
't Is een doorzichtig wonen, daarom staat
het op z'n best wat afgelegen langs de straat,
belendend aan ten hoogste een paar schuren.

De vensters in het vroege uur verduren
de einder, waar een dorp ten onder gaat
in brandgloed die weerkaatst op het gelaat
der gevel: wij zijn ochtendzon en muren.

Wij schrijven, zijn geschreven en begaan
soms glooiingen; het blauwe buiten raakt
in eigen taal een ooit verklonken lach,
die in het raam van de behuizing blaakt

wanneer de zon - zelfstandig opgegaan -
toegang forceert. 't Wordt dan een mooie dag.


Resonantie

't Is lang geleden, zoals ik al dacht.
Het is te merken aan de ritselende blaren
en aan de weidevogels; ook de zware
stem van buurman, die een onweersbui verwacht

doet hier aan mee. We drinken ouwe klare
onder de keukenlamp, die telkens zacht
trilt als hij op tafel slaat en lacht.
Het is weer vroeger na veel wedervaren.

En stellig ook nog morgen te bemerken,
al is het maar om wat ik dan ga doen.
Het zal een zondag zijn, met goed fatsoen

fiets je de kerk voorbij en telt de zerken:
minder dan volgend jaar; twee meer dan toen
ik gisteren haar lach kreeg en een zoen.


Avondblauw

De bomen vallen 's avonds blauw
naar binnen, zonder blad of twijgen
doordringen zij de kamer, zware
schaduwen op porselein.

Gordijnen, drijvend op een vleug van
avondwind door open ramen. -
Appels en sinaasappels rijpen
opnieuw omloverd op de tafel.

Er werd gewandeld 's morgens, heupgewiegd.
Voeten sierlijk op en neer gelaten.
Mensen bereden bijna menselijke paarden.

Er sprak een stem uit een versleten brief.
Men ging zo vaak gedachteloos te water,
zo vaak naar huis door avondblauwe lanen.


Tautologie

In een ander taalgebied gekomen
dan waar ik jong leerde oud te doen,
voel ik dezelfde wind van toen,
heb ik dezelfde jongensdromen.

Mijn vrouw zegt: zou je dat wel doen?
Ze zit iets lichtblauws om te zomen;
't is voor het kleinkind dat gaat komen.
Soms staat ze op, krijg ik een zoen.

Zo is geluk nog te verwekken.
Er staat een merel op het gazon,
bezig een wurmpje op te trekken.

Achter de akkers daalt de zon,
gaat zich met kimwolken bedekken.
We zijn al bijna waar 't begon.