Het Open Boek Texel

< Terug



'Het leven van Maurits Lijnslager, Eene Hollandsche familiegeschiedenis uit de 17de-eeuw' is geschreven en uitgebracht door de Haarlemse boekhandelaar Adriaan Loosjes. Het is een historische roman, een fictief reisverhaal over een jonge man, die een grote reis maakt om zaken te doen en om nieuwe dingen, mensen, streken en een andere cultuur te leren kennen.
Veel spanning of avontuur biedt het boek niet, maar voor ons is het aardig omdat Loosjes de hoofdpersoon ook een (korte) tocht over Texel laat maken.
De roman verscheen in 1808 tijdens het Koningschap van Lodewijk Napoleon, twee jaren voor de Inlijving.

Het fragment met het reisverslag over Texel hebben wij overgenomen uit de derde editie van 1823.
Adriaan Loosjes, zelf in Den Hoorn op Texel geboren, werd nooit een echte stienepikker, want toen hij acht maanden oud was verhuisde hij met zijn familie naar Haarlem.





A. Loosjes - Eene reis over het eiland Texel in de 17e eeuw

Uit Het leven van Maurits Lijnslager, fragment hoofdstuk 14    
 

Lijnslager, altijd gewoon om zich het verblijf op die plaatsen, waar hem of toeval of dadelijk oogmerk gebracht hadden, ten nutte te maken, liet ook op het eiland Texel den tijd niet vruchteloos voorbijglippen. Schoon hij verlangde, om spoedig te Amsterdam terug te zijn, daar hem bewust was, hoe zeer zijne Maria altijd zich verheugde over zijne tehuiskomst, ja hoe, bij het klimmen harer jaren, zij meer en meer op zijn aanhoudend bijzijn gesteld was, zocht hij naar de beste gelegenheid, om het geheele eiland te bezichtigen. Men raadde hem, om zoodat zijn verlangen was, zich dan van een rijtuig te bedienen, en zich, hetwelk zeer gevoeglijk in éénen dag geschieden kon, het geheele eiland te laten rondrijden, en men twijfelde niet, of hij zou dan genoeg tijd vinden, om op elk dorp van hetzelve, naar zijne verkiezing te vertoeven. Lijnslager luisterde naar dezen voorslag, en reed al vroeg den volgenden dag uit: van het Oude Schild op het dorp den Hoorn, een der grootste van het eiland, en waarop vele schippers woonden, die meestal voor Amsterdamsche reederijen voeren. In dat dorp eene korte poos vertoevende, om de gelegenheid van hetzelve op te nemen, werd hij onverwacht door een Westindisch kapitein herkend, die op dat dorp woonde en dikwerf met hem te Amsterdam op de beurs gesproken had. Deze stond niet weinig op te zien over deze onverwachte ontmoeting, en liet niet af, of Lijnslager moest, al was het dan maar voor eene korte poos, in zijn huis vertoeven.
Hij vond die woning, schoon van een zeer eenvoudigen aanleg en veel verschillende van de gebouwen te Amsterdam, echter voorzien van al die geriefelijkheden, welke in eene beschaafde maatschappij geschikt zijn, om het leven op eene genoeglijke wijze door te brengen. Lijnslager bewonderde ook de zindelijkheid zoo van kleederen als huisraad; welke zindelijkheid de oorzaak is, dat de schippers van deze en andere eilanden, zoozeer aan de netheid en de reinheid hunner woningen, wanneer zij aan wal zijn, gewoon, die ook overbrengen op hunne schepen, welke die van alle andere natiën, in dit opzicht, zoo onuitsprekelijk verre overtreffen. Nadat Lijnslager eene korte wijl zich bij dezen kapitein aan huis had opgehouden, verliet hij weder het dorp den Hoorn, door dien vriendelijken zeeman vergezeld, welks aanbod, om hem op zijn tochtje te begeleiden, en hem de merkwaardigste zaken van het eiland aan te wijzen, Lijnslager dankbaar aannam.

Van den Hoorn reden zij naar het gehucht Westen. Dit dorp placht zeer bloeiende te zijn, waarvan de in puinhoop liggende kerk en de groote toren ten afdoenden bewijze verstrekten. Hier wees hem zijn leidsman een aantal schaapskooien, en verhaalde, dat men het aantal van schapen, die op Texel gevoed werden, zonder vergrooting op twintig duizend mocht berekenen. Hij roemde ook niet weinig op de uitmuntende wol, die dezelve voortbrachten, en niet minder op de uitmuntende groene kaasjes, welke, onder den naam van Texelsche bekend, in Amsterdam zelven in groote menigte verkocht worden.
Lijnslager verzocht hem, dat hij hem in de volgende week van de beste soort een paar dozijn zou doen bezorgen, om daarvan aan zijne kinderen en familie kleine geschenken te maken. Nu reden zij naar het hoofddorp de Burg, in aanzien en grootte al de andere dorpen overtreffende. Hier verhaalde zijn vriendelijke leidsman, toen zij van het rijtuig afgestapt waren, dat volgens oude overleveringen dit dorp in vroeger tijd door grachten en wallen zou ingesloten zijn geweest, maar hij was van gevoelen, dat dit misschien alleen zag op den burg of het grafelijk kasteel, dat weleer in eene gracht was ingesloten geweest, welke, schoon droog, nog den naam van Burgwal voerende, er toch zeer verre af was van een eenigszins aanzienlijk voorkomen te hebben.
Lijnslager herinnerde zich, met hem het Rond, in dezen burgwal besloten liggende, bezoekende, hoe de ongelukkige Ada door toedoen van graaf Willem I, ondanks hare jeugd en schoonheid, waarschijnlijk op deze plaats als eene staatsgevangene haar leven gesleten had. Hij moest ook het raadhuis, omtrent eene halve eeuw geleden, in dezen omtrek gebouwd, beschouwen, gelijk ook het landshuis, geschikt tot eene woning voor den hoofdschout van het eiland.
Voorts reden zij naar de Koog, dat in vroeger tijden het aanzienlijkste dorp des eilands placht te wezen, maar door het verloopen van het diep en het overstuiven der duinen verminderde dagelijks ook deszelfs welvaart, en het begon de merkteekens te dragen van een armelijk visschersdorp. Met een visscher, die zeker bij de tachtig jaren oud was, maakte Lijnslager een praatje, en beklaagde hem, dat zijn dorp zoozeer verviel.
'Dat is zoo, mijnheer,' zeide hij, 'maar als God de Heer het zoo wil, dan kunnen wij zwakke menschen er niet tegen doen. Het is nu de beurt van de Koog en zoo zal het misschien de beurt van het heele eiland eens worden, ... want het is zeker, dat er al heel veel land aan deze zij van het eiland door de zee is ingeslokt geworden. Ik ben althans dikwijls, toen ik nog vischte, met gescheurde netten tehuisgekomen, die dan bleven vastzitten in heften, of in wortels van boomen, die wel anderhalve mijl in zee zaten. En ik denk, dat het daar te voren ook al land geweest zal zijn Zoo bestaat alles in verandering, en of wij er veel over morren en klagen, tegen de hand van God den Heer kunnen wij niets doen.'
Lijnslager kon niet nalaten, toen zij den ouden man goeden dag gezegd hadden, zijnen reisgenoot te doen opmerken, hoe gelukkig deze eenvoudige visscher was door zijn gelaten berusten in de wegen der Voorzienigheid; en hoe hij daarin vele hoogvliegende geesten overtrof, die, zichzelven verliezende in ijdele bespiegelingen, verre waren van die lijdzame onderwerping aan het lot, dat onder het bestuur der Voorzienigheid volk of vaderland beschoren is.
Van de Koog deden zij nu een uitstap naar het Eijerland, en daar bij de hooge kaap, die tot eene baak in zee verstrekt, staande, zag hij op een verren afstand een aantal schepen.
Hij vroeg zijnen reisgenoot, welke schepen hij daar ontdekte? '
't Is zeker,' antwoordde deze, 'de vloot, die onder den Admiraal de Ruiter in zee gestoken is, zoo aan de grootte als aan het getal te zien.' Schoon Lijnslager niet noodig achtte. om hem deelgenoot te maken van de aandoeningen, die op dit oogenblik zijn hart overmeesterden, kon hij echter niet nalaten te zeggen: 'De goede God geleide haar!' 'Dat hoop ik,' zeide de kapitein, 'en dat hoopt het geheele vaderland, want wie is er, die den Admiraal de Ruiter niet lief heeft?'

Nadat zij bij den kastelein op het Eijerland eenige oogenblikken vertoefd hadden, vertrokken zij naar de Waal, wel het kleinste, maar echter een zeer vermakelijk gelegen dorp. Ongemeen aangenaam vond ook Lijnslager Oosterend, het Oostelijkst gelegen dorp van het eiland, waar hij zich met moeite verbeelden kon, dat hij zich op een eiland bevond, dat zich de onkunde veelal voorstelt, als een akelig en schraal verblijf, daar dit op de allerbevalligste wijze met geboomte en tuinen omringd was, die bij de aannaderende lente een bekoorlijk gezicht en streelenden geur verspreidden.
Daar dicht bij dit dorp een paar ongemeen frissche en schoone jeugdige menschen zich vertoonde, hetwelk in zeer drokke gesprekken met elkander was, even als een paar gelieven, viel aan Lijnslager het zeldzaam gebruik in, hetwelk men den Texelaren nageeft omtrent het zoogenaamde kweesten, bestaande in eene allerbijzonderste manier van vrijen, bij hetwelk de minnaar 's avonds zijn meijsje bezoekt, en, wanneer hij dit bezoek wat lang uitrekt, eindelijk het meisje zich, in zijne tegenwoordigheid, te bed begeeft, en hij alsdan de vrijheid gebruikt, om zich gekleed aan hare zijde neer te vlijen, en, op de bovendeken liggende, zijne vrijerij voort te zetten. Lijnslager vroeg aan zijnen reisgenoot, of hetgeen omtrent deze zonderlinge manier van vrijen verhaald werd, waarheid was, dan of het behoorde onder de vreemde volkssprookjes, welke, van hand tot hand gaande, zonder onderzoek, eindelijk, omdat men toch veel van het zonderlinge houdt, den stempel der waarheid verkrijgen. Maar zijn reisgenoot betuigde: 'Wat gij omtrent het kweesten mij vraagt, moet ik voluit met ja beantwoorden, het is de manier van vrijen op dit eiland in zwang en van de voorouders tot de kinderen overgegaan. Ik begrijp duidelijk, dat het u bijna ongeloofelijk toeschijnt, maar het is ook in dit geval: 's Lands wijs, 's lands eer.' Lijnslager gaf te kennen, dat het hem toescheen, dat dit vreemd gebruik veel gelegenheid moest geven tot ongeregeldheden, want voegde hij er met het vaderlandsche spreekwoord bij: 'Vuur en stroo dient niet alzoo.'
'Hoe vreemd het u schijnen mag,' gaf hem de kapitein ten antwoord. Deze soort van vrijen gaat zoo eerbaar in zijn werk, als eenige andere; en het afdoend bewijs is, dat op dit eiland, waar deze gewoonte algemeen plaats heeft, eene zwangere bruid eene zeldzaamheid is, en dit voor eene groote schande wordt gehouden.'
'Ik geloof toch,' zeide Lijnslager, dat deze manier van vrijen den stempel van de gewoonte zeer noodig heeft, om niet in misbruik te ontaarden, en zoo ik er iets gunstigs ten aanzien van deze eilanders uit zou mogen opmaken, zou het alleen daarin bestaan, dat hier nog eene grootere eenvoudigheid van zeden plaats heeft, en dat de weelde en dartelheid nog weinig dit eiland besmet hebben. Dat mij echter te vreemder dunkt, omdat de gelegenheid van hetzelve dagelijks zeevarende gasten van allerlei natiën hier aan wal doet komen; en bij dezen althans heeft men geene kiesche zeden of eenige onthouding te verwachten.' 'Gij zult mij toch wel gelooven,' hernam zijn reisgenoot, dat onze Texelsche meisjes, die den naam van braaf verdienen willen, zich wel wachten voor den omgang met het zeevolk, vooral van vreemde natiën: en dat dit zeer diep door de moeders aan de dochters wordt ingeprent.'
'Nu,' zeide Lijnslager, ik wensch dan, dat, zoo die misselijke wijze van vrijen eens uit gebruik mocht raken bij de Texelaren, dan toch die eerbaarheid van hart en zeden, die zedige onthouding mag blijven plaats hebben, welke althans bij onze vroegste voorouders een onderscheidend kenmerk van de geheele natie uitgemaakt heeft.'
Zij waren nu aan het Nieuwe Schild genaderd, en zagen, dat er een jacht der Oost-Indische Compagnie inmiddels was aangekomen. Dit had eenige heeren naar Harlingen gebracht, die, uit hoofde van het aangename weder, door sommige Amsterdamsche bewindhebbers vergezeld waren, welke door hetzelve al verder uitgelokt waren geworden, om even Texel aan te doen. Nauwelijks zag een hunner Maurits Lijnslager, of op het oogenblik noodigden zij hem uit, om, daar zij voornemens waren, naar Amsterdam de terugreis nog dezen dag aan te nemen, zich van die gelegenheid te bedienen, om op eene gemakkelijke en aangename wijze te huis te komen.
Zonder eenige plichtplegingen omhelsde Lijnslager dit aanbod, en begaf zich, nadat hij zijnen leidsman dankgezegd had voor zijne onverplichte vriendelijkheid, scheep in het jacht der Oost-Indische Compagnie, dat, na nog eene korte poos vertoevens, weder in zee stak. Zij kwamen, voor het vallen van den avond, voor het gat van Texel en daar de wind met den avond liggen ging, dreef het jacht hetzelve langzaam voorbij ...