Het Open Boek Texel

< Terug



Polders in het oude land van Texel


Uit de catalogus van kaarten enz. betrekking hebbende op de oudere en tegenwoordige gesteldheid van het Hollands Noorderkwartier, zoals tentoongesteld in het Stedelijk Museum te Amsterdam gedurende de maand september 1917, door het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap. Pag. 116-122






Polders en ondergrond van Texel


Texel


Texel maakte waarschijnlijk eenmaal met Vlieland en de achtergelegen waardgronden één geheel uit: het Eierlandsche Gat is eerst later ontstaan. Wat wij nu Texel noemen was zeker reeds in de 8ste eeuw door het Marsdiep van Huisduinen gescheiden. In de 10de eeuw wordt van een Insula Texla gesproken, al behoorde ook Huisduinen en een deel van West-Friesland eveneens tot de gouw Tesla (Tesle, Tijesle). Het tegenwoordige eiland Texel bestaat uit twee in hoofdzaak geologisch verschillende deelen.


Het oudere zuidelijk deel, het oude eiland Texel


Het oudere zuidelijk deel, het oude eiland Texel met zijn kern van Noordsch diluvium en de onmiddelijk daartegen aangedijkte deelen. De oude diluviale kern bestaat uit zand, leem en keien en vertoont ten zuid-oosten van de hoofdplaats Burg eenige heuvelvorming, waarvan het hoogste punt zich in den Hoogen Berg of het Bergje tot ongeveer + 15,5 AP verheft; een paar afzonderlijke, minder beteekenende hoogten liggen ten westen van Oosterend. Overigens bestaat die uit vlakke zandgronden. De plaat waarop de duinen gevormd zijn, lag aan de binnenzijde onmiddellijk tegen dat stuk diluvium aan; zij draagt nog die duinen en bestaat aan die binnenzijde uit zand- of geestgronden, die ten deele onvruchtbare of 'mientgronden' vormen. Het noordelijk deel van die zandgronden is door achtereenvolgende bedijking van kogen (buitenlanden) op de zee aangewonnen. Op de kaart van Texel door Langendijk van 1595 vindt men er zes geteekend, waarvan de zuidelijkste Ouer Cooch, een ten noorden daarvan St. Jansland en de noordoostelijke Middel Cooch heet. Op die van den Berger van 1774 Gerritsland en ten noorden daarvan het Nieuwe land. Men vindt er nu nog Gerritsland, de Everste koog en de Koog, doch niet meer als afzonderlijke bedijkingen gescheiden; het Gerritslander Dijkje, de Pijpendijk en het Oude Dijkje zijn daar nog als wegen of oude dijkstallen over.
Aan de oostzijde van het diluvium langs den zeedijk ligt een strook alluvisch zeezand en iets meer binnenwaarts evenwijdig daaraan een smalle strook laagveen met een noordwestelijke uitlooper naar het dorp Waal. Ook aan de zuidwestzijde van het eiland, van het voormalige dorp, nu de buurt de Westen tot ten zuiden van Hoorn, ligt een stuk laagveen.
Reeds in oude tijden was dit eiland Texel door duinen en dijken beschermd; de laatste aan de eerste sluitend ten zuiden van Hoorn in het zuiden en ten noorden van Koog in het noorden. Aan de noordzijde ten westen van Waal maakte de zeewering een diepen inham, die opgevuld werd met zoetwatervormingen van laagveen en daarbuiten zand en klei. Het eerst werd daarvan het meest zuidelijk deel ingedijkt als het Burger-Nieuwland; de dijkstallen der oude achterdijken zijn nog weer te vinden. Daarvoor lag een nog veel grootere oppervlakte, voor welker bedijking in 1436, later weer in 1488, oktrooi werd verleend; de daardoor gevormde Polder Waal en Burg overstroomde in 1532 en bleef drijven, totdat hij in 1612 voor goed herdijkt werd.
Aan de zuidzijde werden tegen het oude land de poldertjes het Weezenspijk, de Grie (1549), het Hoornder Nieuwland en de (Binnen-) Kuil (1591) aangedijkt. De bedijking van de Buiten-Kuil ging verloren. Vóór de eerste twee liggende buitengronden werd in 1768 de grootere polder Hoorn en Burg ingedijkt, maar nadat deze in 1796 was doorgebroken, bleven zijn gronden drijven, totdat zij in 1846-1847 werden herdijkt als de Prins-Hendrikpolder. Tegen den zuidoostelijke hoek van dezen polder ligt een buitenpoldertje, het Horntje, dat aan de noord- en oostzijde slechts met een zomerdijk is afgesloten met aan de zuidzijde een smalle duinrij, waardoor ook de Prins-Hendrikpolder, het Hoornder Nieuwland en de Kuil aan die zijde worden beveiligd.


Het jongere noordelijk deel


Ter plaatse van den noordhoek van het tegenwoordige eiland lag vroeger een eilandje Eierland, een hooge zandplaat met duinen. Het was met Texel verbonden door een vlak strand, waarover de hooge vloeden van de Noordzee naar binnen kwamen. Over dit strand deden de Staten van Holland 1629-1630 een zanddijk leggen van de duinen van Texel tot die van Eierland, die aan de westzijde spoedig aanstoof tot een duinrij met een breed strand, terwijl aan de binnenzijde schorgronden gevormd werden, het zoogenaamde buitenveld, waarop veel vee geweid werd. Niet voor 1835 werden deze laatste gronden aan de oostzijde van de zee afgesloten door een dijk, die in het noorden aan de Eierlandsche duinen, aan de zuidzijde aan den dijk van Polder Waal en Burg aansloot. Aldus werd Polder Eierland aangewonnen, 3302 hectare groot, die langs den zanddijk aan de westzijde uit een strook zand, maar overigens uit zavel en lichte klei bestaat. Tegen de oostzijde daarvan werd in 1846 de Eendrachtspolder bedijkt en kort daarna, bij het in Polder Eierland ontstane dorp de Cocksdorp, het poldertje de Volharding, beide met een bodem van zeeklei.
De inham die door deze bedijking ontstaan was tusschen de polders Eierland en Eendracht ter eene zijde en het oude land ter andere, waar in de 19de eeuw oestercultuur gedreven werd, verzandde meer en meer, waardoor de uitwatering van de aanliggende polders belemmerd werd, terwijl de dijken daarlangs bij noordoostelijke stormen het daarin hoog opgezet water moesten keeren. Daarom werd die inham in 1876 door een dijk afgesloten, waardoor de Polder het Noorden ontstond. Behalve uit een weinig klei en zavel langs de oude, nu droog geworden dijken bestaat de polder uit schraal zeezand, dat zoo onvruchtbaar bleek te zijn, dat sommige hoeven zelfs verlaten werden. Door aanwending van kunstmest in den laatsten tijd is de toestand echter beter geworden.


De zeeweringen van Texel


De zeeweringen van Texel bestaan vooreerst uit de duinen aan de west- en zuidzijde. Deze zijn vrij hoog op het oude Eierland en in de aangestoven duinenrij ten westen van Polder Eierland (25 m). De duinen van het oude land ten noorden van Koog, 36 meter hoog, zijn aldaar vrij smal (300 m), maar nemen zuidwaarts in breedte toe, zoodat zij bij Hoorn in de richting west-oost 3000 meter breed zijn; door samengroeiing met de plaat de Hors nemen aan den zuidwestelijke hoek van het eiland in den laatsten tijd duinen en strand zeer in breedte toe. Langs de zuidelijke bedijkingen loopt, zooals wij zagen, de smalle duinrij die bij het Horntje eindigt; langs de zuidwestzijde van het Hoornder Nieuwland bestaat zij uit het kunstmatig aldaar aangelegde Molwerk. Een andere smalle rij gaat van de hoofdduinen ten zuiden van de Kuil over de Hors zuidoostwaarts, den zoogenaamden Stuifdijk vormend, die in 1846 door de inwoners van Hoorn kunstmatig is aangelegd. Tusschen deze beide duinrijen ligt de ondiepe inham der zee, de Mok. Alle duinen worden door het Rijk onderhouden.
De dijken langs de Zuiderzee bestaan uit die van den Prins-Hendrikpolder, van het Waterschap der dertig gemeenschappelijke polders - die van het Oude land en den dijk van Polder het Noorden (Zanddijk) - en die van de polders Eendracht, Eierland en Volharding, elk onderhouden door de waterschappen waartoe zij behooren, behalve een dijkvak voor het dorp Oude Schild, dat in onderhoud is bij het Rijk.
Van het Horntje wordt de dijk door de Provincie onderhouden. Hier hadden in den laatsten tijd door de hevige schuring van den Texelstroom afschuivingen in de vooroevers plaats. Daarom heeft sedert 1908 het Rijk hier kostbare werken voor de oever-verdediging aangebracht, die nog gedurende een aantal jaren zullen moeten worden uitgebreid.
Al het oude land binnen den ouden dijkring van Hoorn tot Koog vormt het voormalige waterschap der zoogenaamde Achtentwintig gemeenschappelijke polders, - dezen laatsten naam op te vatten in de beteekenis van onderdeelen of districten, daar van een afscheiding in waterstaatkundigen zin geen sprake is en ook zeer waarschijnlijk nooit sprake geweest is (behalve de vroeg aangedijkte deelen ten zuiden van Koog). Door de toevoeging van het poldertje de Grie na de inbraak hiervan, waarvan het polderwater nu met dat van het oude land gemeen ligt, en in 1880 van Polder het Noorden spreekt men nu van het Waterschap der dertig gemeenschappelijke polders.
Het oudste deel van het land - dus behalve de zoogenaamde polders Gerritsland, Everste Koog en Koog - ligt buiten de heuveltjes op NAP, de laagste deelen zullen - 0.50 AP liggen.
Dat oude land vormt één polder, waarmee de Grie gemeen ligt, met een peil van - 0.80 AP De afwatering geschiedt door sluizen rechtstreeks op zee en voorts door 2 sluizen in den nu slaper geworden dijk aan de noordzijde van den Prins-Hendrikpolder op een kanaal dat in dien polder langs dien dijk en langs den zeedijk daarvan loopt tot de noordelijke opening van een sluis ongeveer in het midden van dezen laatsten dijk; op dit kanaal loost ook Pr. het Weezenspijk; eindelijk nog door een sluis aan den noordoostelijke hoek van het Hoornder Nieuwland op een kanaal of voorboezem, gaande door den Prins-Hendrikpolder en langs den zeedijk daarvan tot de zuidelijke opening van bovengenoemde sluis. Op dien voorboezem slaat ook het Hoornder Nieuwland uit met een scheprad-molen en daarmede ook Polder de Kuil, die zijn overtollig water door een sluisje op eerstgenoemden doet afloopen. Ook polder het Horntje loost op dien voorboezem. De Prins-Hendrikpolder, die een peil heeft van - 1 AP, loost door de middelste opening van meergenoemde sluis, na opmaling met een centrifugaalpomp, door een Dieselmotor bewogen.
Gerritsland met de achtergelegen miendgronden laat zijn overtollig water door een duikersluis afloopen op het Burger-Nieuwland en dit laatste op Polder Waal en Burg, waarop ook de Everste Koog en de Koog hun water loozen.
Polder Waal en Burg, welks terrein - 0.5° AP ligt en die een ZP van - 0.80 AP heeft, brengt zijn water 1e door een sluis op een dijkskanaal dat langs de binnenzijde van den zeedijk van den Eierlandschen polder loopt, 2e door een sluis op een kanaal dat door Polder het Noorden loopt, dicht langs den ouden zeedijk aan de zuidzijde, en dat door de zuidelijke opening van een sluis in den Zanddijk loost. Door de middelste opening loost de molenkolk van Polder het Noorden zelf, waarin deze zijn water met een vijzelmolen moet opbrengen. Eindelijk loost door de noordelijke opening van dezelfde sluis het afwateringskanaal dat ook door Polder het Noorden gaat, waarop Polder Eierland door een sluis in zijn voormaligen buitendijk loost; bovendien watert deze laatste polder (ZP - 0.32, WP - 0.12 AP) door de Roggesluis op de Noordzee af.
De Eendrachtspolder (ZP - 0.80, WP - 0.5° AP) loost evenals het poldertje de Volharding rechtstreeks op zee, maar wordt wegens verzanding van de buitengeul tegenwoordig mede door een molentje bemalen.
Op Texel voerde van ouds de baljuw of de door deze gestelde dijkgraaf met heemraden het bestuur over den zeedijk. Toen het eiland in 1415 stederecht gekregen had en dus de baljuw verdwenen was, trad de schout als Dijkgraaf op. Op Texel kozen de schepenen 4 raadslieden of burgemeesters, die op hunne beurt 4 en later 5 heemraden kozen. Het dijksbestuur werd als een stadsbelang beschouwd en daarom werden de keuren op dijken, sluizen, watergangen en wegen gelegd door schout, raadsleden, schepenen en heemraden.
Texel kreeg keuren op de dijkage, door de Staten vastgesteld 8 Maart 1595. De dijken kwamen ook onder het toezicht der Commissie van Superintendentie. De dijken van het eiland bezweken dikwijls en de Staten moesten vaak te hulp komen. Na de rampen tengevolge van den watervloed van 25 dec 1717, waarbij ook veel voorland was verloren gegaan, besloten de Staten tot invoering van een gemeene dijkage; de gemeenmaking der dijken van het oude land (28 polders) werd daarop in 1721 gelast, waarbij zoogenaamde polders die tot toen vrij waren geweest van dijklast ook daarmede werden bezwaard, - feitelijk was het onderhoud uit ééne hand voor bijna de geheele zeewering reeds na den stormvloed van l okt 1697 - waarbij een groot gedeelte van het eiland was overstroomd - ingevoerd.


Waddeneiland Vlieland


Waddeneiland Vlieland bestaat uit een noordoostelijk deel, nagenoeg geheel met duinen bezet, en een ten zuid-westen daarvan gelegen vlakke zandplaat, West-Vlieland of de Hors(t), ook Vliehors geheeten, die weleer ook duinen droeg en met springtij niet geheel onderkomt. Het eiland is dus niets dan het overblijfsel van een stuk duinketen, die hier vooral aan de buitenzijde zeer is afgenomen.
De duinen op West-Vlieland werden in 1722 nog door een dijk aaneengehecht en gesteund, maar zij verdwenen toch reeds spoedig daarna met het dorp West-Vlieland, waarvan de kerk in 1727 ondermijnd en verplaatst was; in 1736 was er nog één huis van het dorp over. Dat men er 20 jaar later op dezelfde plaats '15 vademen' water peilde, zooals men hier en daar vermeld vindt, is echter niet mogelijk; misschien moet dit 15 voet zijn.
Op de kaarten van P. Bruinsz van 1594 en W. Vleertman vindt men dus nog West-Vlieland voorgesteld, op die van P. Muller v. 1721 komen van het dorp alleen nog het raadhuis en de kerk voor.
Voor het oostelijk uiteinde der duinen heeft zich in de laatste halve eeuw een hoog strand meer en meer oostwaarts uitgebreid tot aan den Vliestroom. Ten zuiden van dat strand en die duinen tot bij het dorp Oost-Vlieland loopt een geul, de Sloot, die tot ongeveer 10 meter diep is.
Duinvoet en strand worden aan de noordzeezijde door een groot aantal steenen hoofden verdedigd. Aan de zuidzijde ligt voor het dorp een 800 meter lange zeedijk, met beide einden aan de duinen sluitend. Ten oosten daarvan wordt de oever verdedigd door een steenen kade of kapglooiing tot de Haven, die ongeveer 1/4 uur ten oosten van het dorp ligt. Duinen, dijk, verdedigingswerken en haven worden door het Rijk onderhouden.