Het Open Boek Texel

< Terug



T e x e l s e  d i a l e c t n a m e n  v o o r  v o g e l s


Ontleend aan de Gids voor de vogels van Texel

'Je heb mense en katuule, maar katuule 't méést'



Aakster - ekster. Heeft (net als de kraai) een slechte naam, omdat hij eieren en jongen van bijvoorbeeld bergeenden en fazanten pakt. Nesten werden vroeger door jagers en stropers zo veel mogelijk opgeruimd.
Een skrééuwaakster is een vlaamse gaai.


Berregheend - bergeend. Iemand die kwaad is 'zit te blaaze as een berregheend', dus zoals het wijfje indringers afschrikt als ze op het nest wordt verrast.
Blaauwborsie - heggemus. De kop en de borst zijn blauwgrijs. 'Blaauw' is hier misschien gebruikt in de betekenis van grauw, saai of somber, zoals in 'een blaauwe dag'. Het echte blauwborstje komt wel op Texel voor, maar is vrij zeldzaam.
Blaauwe duuf - holenduif. Wordt ook holduufie genoemd.
Blaauwe Jaap - blauwe reiger. 'Weer een reiger staat, deer zit een ééltje', zegt men. Reigers duiken niet naar vis, ze staan roerloos in het water en grijpen hun prooi als die in de buurt komt. Verondersteld wordt dat ze onder water met hun tenen (die op wormen lijken) bewegen en zo de vis misleiden. Vroeger dacht men dat de vis op de geur van de reigerpoten af kwam. Hengelaars meenden meer te vangen als ze hun aas met het vet van reigers insmeerden. In het Tessels is 'speeje as een reiger' braken, 'skijte as een reiger' spreekt voor zich.
Blaauwwaterstoar, blaauwstoar - zwarte stern. Stoar betekent ster.
Bokkie - bokje en watersnip. Werden al in de 18e eeuw door boeren zo genoemd.
Boommos - ringmus (heet ook ringmos)
Borremsijsie - barmsijsje.
Bosterd nagtegaal - spotvogel. Heet op Texel ook wilde kenarie. De bastaardnagtegaal of heggemus wordt hier blaauwborsie genoemd.
Bosuul - ransuil. Heet ook gróóte katuul. De echte bosuil komt op Texel niet voor.
Botkol, botslokker, botskollever - aalscholver. Heet op Texel ook ook konteklopper. In de 16e eeuw werden aalscholvers afgericht en voor de visvangst gebruikt. Langs de Waddenkust vangen ze o.a. bot. Bij botkol komt 'kol' misschien van het Tesselse woord voor heks of oud wijf en zou dan op het uiterlijk betrekking hebben.
Braamsluuper - bosrietzanger. De naam wordt niet gebruikt voor de braamsluiper (die kwam vroeger op Texel weinig voor).


Diekzwaluw - oeverzwaluw. Maakt zijn nesthol o.a. in oude dijken en tuinwallen.
Doorefeugeltje - grasmus. Heet ook gewoon grasmos.
Dubbelde liester - grote lijster.
Dubbelde vroek - bontbekplevier (wordt ook gliend genoemd). Een vroekie is de Tesselse naam voor een strandplevier.
Duukertje - dodaars (ook kleine duuker)
Duumpie - goudhaantje en winterkoning. Allebei heel kleine vogeltjes.
Duunpiepertje - graspieper. Heeft ook de namen kantlieuwerik en vinkie.


Eider - eidereend.


Fluiter - merel. Met fluiter wordt bedoeld het mannetje met oranje snavel. Zie ook swarte tjakker en grééuwe tjakker.
Fliegefanger - grauwe (grééuwe) vliegenvanger


Geelborsie, gele skrééuwerd - gele kwikstaart. Heeft ook de naam wilde kenarie.
Gele vink - groenling.
Gliend - bontbekplevier (dubbele vroek) De naam zou een klanknabootsing zijn van de roep.
Gors - rietgors (heet ook wel rietmos)
Gouw - wielewaal. Zo genoemd vanwege de goudkleur. De naam wielewaal wordt op Texel soms gebruikt voor een andere soort: de grauwe klauwier.
Grasmos - grasmus. Heet ook doorefeugeltje.
Grééuwe fliegefanger - grauwe vliegenvanger.
Grééuwe klauwier - grauwe klauwier. Wordt soms wielewaal genoemd.
Grééuwe tjakker - merel (het wijfje). Zie fluiter en swarte tjakker.
Grieto - grutto. Heet op Texel meestal marel.
Grieze kwiksteert - witte kwikstaart en rouwkwikstaart (heet ook peerdewachtertje)
Gróóte duuker - fuut. Heeft ook de namen keizer, heringsliender en (soms) kragemaker.
Gróóte katuul - ransuil. Wordt ook bosuul genoemd. De naam katuul wordt algemeen voor uilen gebruikt, maar vooral voor de velduil.
Gróóte kuukedief - bruine kiekendief (krijgt meestal de naam skor en soms muuzebieter).
Gróóte meeuw - zilvermeeuw (heet ook kokmeeuw en sullevermeeuw) De stormmeeuw wordt kleine meeuw genoemd. Als je boven zee een groep meeuwen druk bezig ziet, is dat een teken dat er makreel voor de kust zit. Op open water trekken vissers de conclusie dat er sardien of bliek te vangen is, en dat ze hun net hoog moeten uit zetten. Soms zijn meeuwen achter een schip opvallend hongerig en druk roepend. Dan wordt het ander weer.
Gróótstoar - grote stern (heet ook kaugek). De naam (middel)stoar wordt gebruikt voor de noordse stern en de visdief, kleinstoar voor de dwergstern.


Halleve wullep - regenwulp (kleine wullep).
Havikkie - torenvalk. Heeft ook de naam muuzefanger.
Heend - eend. 'Een heend en een waard benne niks waard, maar een heend allien is een edele stien'. Met 'heendekuukeltjesweer' wordt zacht, zoel voorjaarsweer bedoeld. Bij een nest met eieren spreekt men van 'een potje heenseier'. De eieren smaken overigens 'altoos een beetje vissig'. Gretig eten is in het dialect 'eete as een heend op een gersie'.
Heringsliender - fuut (heet ook gróóte duuker, keizer en soms kragemaker). De naam betekent letterlijk haring-verslinder.
Hoannie - zeekoet.
Holduufie - holenduif. Wordt ook blaauwe duuf genoemd.
Houtduuf - houtduif.
Huuszwaluw - huiszwaluw.


Kantlieuwerik - graspieper. Ook de namen piepertje en vinkie komen voor. De soort broedt graag in slootkanten en tegen tuinwallen en andere hellingen, vandaar de naam.
Kapmeeuw - kokmeeuw. Heet ook swartkopmeeuw.
Karrekiet - kleine karekiet.
Katuul - velduil en andere uilensoorten. 'Je heb mense en katuule (maar katuule 't méést)' betekent: onzelieveheer heeft vreemde kostgangers. De naam gróóte katuul wordt gebruikt voor de ransuil.
Kaugek - grote stern (heet ook gróótstoar)
Is waarschijnlijk klanknabootsing van de roep. Lijkt op franse naam 'sterne caugek'.
Ketellapper - koperwiek en zanglijster. Ketellapper of koperslager is een oude beroepsnaam voor iemand die koperen voorwerpen herstelt.
Keizer - fuut. Heet ook heringsliender en gróóte duuker, soms kragemaker.
Kiewiet, kieft - kievit. Kieft wordt alleen gebruikt in de uitdrukking 'lóópe as een kieft'. Men spreekt van 'een bakkie' kiewies-eier. 'Een mooi wijfie' heet een kievitswijfje waarvan je aan de manier van vliegen zien kunt dat ze eieren heeft. Een kiewiet vliegt niet van het nest maar 'spat' er af. Een eierzoeker kon in de rand van zijn pet hooguit 18 eieren bergen. Met de pet in de hand konden er in het midden nog een stuk of tien bij, maar dat was natuurlijk wel oppassen bij het slootje springen.
Kleine duuker - dodaars (heet ook duukertje).
Kleine (kok)meeuw - stormmeeuw. 'Zo mak as een meeuwtje', zegt men op Texel. De gróóte meeuw is de zilvermeeuw.
Kleine wullep - regenwulp. Heet ook halleve wullep.
Kleinstoar, klikstoar - dwergstern.
Koekuut - koekoek (heet op Texel ook noordewiendskrééuwer). Een koekuut is in het Tessels een lummel, een sul. 'Dat raadt je de koekuut' betekent: wis en waarachtig.
Koet - meerkoet. Een 'stomme koet' is een trut. De Koetebuurt is een naam van een oude straat in Oosterend. Of die naam iets met de vogel te maken heeft, valt te betwijfelen.
Kollekedotter - spreeuw (alleen de nestjongen) Een kadodder is een pas uitgebroed, uit het nest gevallen vogeltje. Het voorvoegsel 'kolle' komt waarschijnlijk van 'kale', misschien van 'kol' (is heks of oud wijf). De spreeuw wordt ook wel skijter genoemd.
Kokmeeuw - zilvermeeuw. Iemand die schrokkend eet, heeft 'een keel as een kokmeeuw'. De zilvermeeuw wordt ook gróóte meeuw genoemd en gewoon sullevermeeuw.
Konteklopper - aalscholver. De naam komt van de manier waarop hij er bij verstoring als een speedboot vandoor gaat. Als hij zich heeft volgegeten, is hij zo zwaar dat hij amper op de wieken kan komen. Hij richt zich op en maakt zich uit de voeten, maar komt niet omhoog. Al klapperend blijft hij met zijn kont in het water hangen. De vogel heet ook botskollever, botslokker en botkol.
Kraakheend - krakeend.
Kragemaker, kragedrééger - kemphaan, de naam kragemaker wordt soms ook voor de fuut. In de baltsperiode zetten mannetjes een 'kraag' op om te imponeren. Vechten als een kemphaan is in het Tessels 'vechte as een kragemaker'.
Kransfeugel - beflijster. Heeft deze naam vanwege de witte krans op zijn borst.
Kwartel - kwartelkoning
Kwiksteertje - witte kwikstaart en rouwkwikstaart. Wordt ook grieze kwiksteert en peerdewachtertje genoemd.
Kuukedief - kiekendiefsoorten (zie skor, muuzebieter, witsteertskor en gróóte kuukedief). Hij pakt o.a. kuikens, vandaar de naam.


Langsteert - fazant. Heet ook gewoon fezant,
en de jongen fezantekuukels. Met lichte maan waren de dieren voor stropers niet moeilijk te vangen: 'als je ze wist te zitten, greep je ze zo uit de boom'. Op de vraag of ie nog wat bijzonders had gezien, antwoordde iemand: 'Niks as langsteerte, een kiepehok en wat luure an de lient'.
Liester - zanglijster. 'Liesterweer' is het in oktober bij heldere lucht. Dan valt lijstertrek te verwachten. Lijsters werden vroeger veelvuldig gevangen met een paardeharen strik in een 'boochie' van wilgetakken. Dat kon nog aardig wat opbrengen. Het kwam wel voor dat een boer er na een periode van sterke trek een koe aan over hield.
Lieuw - scholekster. Waarschijnlijk zo genoemd vanwege zijn roep 'klieuw-klieuw'. Als scholeksters met nat weer allemaal druk roepen ('druup-druup' voor wie het horen wil), is dat een teken dat het de hele dag regenachtig blijft.
Lieuwerik(kie) - veldleeuwerik. Iemand zit behaaglijk 'as een lieuwerik in 't zeujersontje'. Brandewijn schenken heet 'de lieuwerik rond gaan laate'. Een 'lieuwerdelaauw' is een goeie sul.


Marel - grutto. Marel is waarschijnlijk verwant aan het woord moor (slik, modder, veengrond), het gebied waar de vogel zich vaak ophoudt. De naam zou ook betrekking kunnen hebben op de kleur. De vogel wordt soms grieto genoemd, maar minder algemeen.
Middelstoar visdief, noordse stern
(zieook bij stoar).
Moale mok - noordse stormvogel. Volgt vaak visserschepen. Heeft een vrij stompe snavel en eet voornamelijk de zachte delen (darmen en lever) uit de vis.
Mos - huismus (een oudere naam is slet).
Muuzebieter - bruine kiekendief. Heet meestal skor en soms kuukedief.
Muuzefanger - torenvalk. Wordt vaker havikkie genoemd.


Noordewiendroeper, noordewiendblazer, noordewiendskrééuwer - koekoek. Kondigt met zijn roep de noordewind aan. Heet op Texel ook koekuut.


Peerdewachtertje - witte kwikstaart en rouwkwikstaart (niet de gele dus, maar de 'grieze') Ze zijn op het land vaak in de buurt van vee te vinden, vooral van paarden. Paardeharen gebruiken ze voor in hun nestjes. Als boeren vroeger even stopten met eggen of ploegen, bleven de vogeltjes bij de paarden wachten.
Pielsteert - pijlstaart.
Piepertje - graspieper. Heet ook duunpiepertje, vinkie en kantlieuwerik.
Piepepluuzer, pieperager - wulp. Van in het veld gevonden schedels werd de snavel gebruikt om pijpen mee schoon te krabben. De soort heet ook reegefluiter, maar meestal gewoon wullep.


Reegefiuiter, reegemaker - wulp. Als je de dieren hoort fluiten na een periode van droogte, is er regen op komst. De wulp heet ook piepepluuzer.
Rietdomp - roerdomp.
Riethen, rietkip - waterhoen (ook waterkip).
Rietmos - rietgors (meestal kortweg gors).
Ringmos - ringmus. Heeft op het eiland ook de naam boommos.
Roggebieter - tuinfluiter. De naam zou betrekking hebben op de eieren, niet op het gedrag (volgens Drijver)
Róódborsie - roodborst.
Róódsteertje - gekraagde en zwarte roodstaart.


Sandlóópertje - strandplevier. De naam vroekie wordt ook gebruikt.
Skeetejager - kleine en grote jager. Voedt zich met prooien van vooral sterns. De sterns worden opgejaagd en laten in hun nervositeit hun prooi vallen of braken een pas verorberde vis weer uit. Die wordt vervolgens door de jager smakelijk opgepeuzeld. Het zijn dus niet de 'skeete' waar ze jacht op maken. Ook Pieter van Cuyck (18e eeuw) meent dat het om de drek te doen is, en noemt de vogel strontmeeuw of schijtvalk.
Skor - bruine kiekendief. De soort wordt tevens gróóte kuukedief genoemd. Een skor is in het dialect ook iemand die loopt te struinen. Het tijdschrift van de Vogelwerkgroep Texel heet 'De Skor'.
Skrééuw-aakster - vlaamse gaai. Een aakster is een ekster.
Skijter - spreeuw (nestjongen heten kollekedotters)
Slet - mus. Vroeger sprak men van 'slette droele'. 'Droele' was het met behulp van een lantaarn grijpen van vogels in hun slaap, zoals mussen, vinken en goudplevieren.
Slob, slobberheend - slobeend. Wordt wel verward met de zomer- en wintertaling. Slob komt van slobberen, slurpen.
Snip - watersnip. Heet ook bokkie. De Snippen is een natuurmonument aan de Laagwaalderweg. 'In 't snippevluchie' is Tessels voor 'schemering'.
Stoar, ster - noordse stern, visdief. Wordt ook middelstoar genoemd. Stoar betekent ster. Het verkleinwoord is stortje. 't Stoar is de naam van een weidevogelreservaat oostelijk van de Petten. Als de eerste sterns verschijnen is dat voor vissers een teken dat ze rog kunnen vangen. Zie ook kleinstoar, middelstoar, gróótstoar en blaauwstoar.
Strandlóóper - kleine en bonte strandloper.
Stoag, stoachie - tapuit.
Sullevermeeuw - zilvermeeuw (heet ook kokmeeuw en gróóte meeuw)
Swarte kraai - zwarte kraai. Over kraaien bestaat een oud Tessels kinderrijmpje: 'Aai kraai uulekepóót, je mem is dóód, je taat is dóód, je kiendertjes lóópe te graaie. Soetemellek en wittebróód dat luste alle kraaie'. Een kraai is ook een doodgraver. Men zegt op Texel 'gien liek (lijk) of de kraaie sien 't', en ook 'de iene kraai zel de aare sien óóge niet uutpikke'. Een mooie nazomer is een 'kraaieseumer'.
Swarte tjakker - merel (het jonge mannetje). Zie ook grééuwe tjakker en fluiter.
Swartkopmeeuw - kokmeeuw. Heet op Texel ook kapmeeuw.
Swaveltje - boerenzwaluw. Wordt ook zwalefie genoemd.


Tesselaar - wilde zwaan. Op Texel zelf komt de naam niet voor, maar hij staat als volksnaam genoemd in de vogelgids 'Zien is kennen' van Nol Binsbergen uit 1937. Pieter van Cuyck (midden 18e eeuw) vermeldt het broeden van wilde zwanen in de polder Waal en Burg. Waarschijnlijk zijn dit wilde knobbelzwanen geweest, maar omdat de wilde zwaan normaal alleen in Noordoost-Europa en Siberië broedt, zou het broeden op Texel heel bijzonder zijn. Het zou kunnen dat de bijnaam Tesselaar aan de vermelding van Van Cuyck te danken is.
Tjakker - merel (zie ook fluiter en grééuwe- en swarte tjakker). Een veld-tjakker is een kramsvogel. Iemand die er rap vandoor gaat 'vliegt as een tjakker van de skutting'.
Tjerk, tjat - tureluur (tjat komt minder voor).
Tjilling, tjillingheendje - winter- en zomertaling (wordt soms verward met de slobeend).
Toorezwaluw - gierzwaluw.
Toorekraaitje - kauw.
Tortelduuf - tortelduif. Wordt meestal kortweg tortel genoemd.


Uul - velduil. Heet op Texel eigenlijk katuul.


Veldliester, veldtjakker - kramsvogel. Een tjakker is een merel.
Vinkie - graspieper. Heeft ook de namen (duun)piepertje en kantlieuwerik.
Vroekie - strandplevier (ook sandlóópertje). 'Lóópe as een vroek' is snel, dribbelend lopen.


Waterkip - waterhoen (ook rietkip en riethen).
Wielewaal - soms gebruikt voor de grauwe (grééuwe) klauwier.
Wilde heend - wilde eend. In de hoop nog
een volgende legsel te kunnen rapen, legde men vroeger een 'gaarei' in eendenesten, een voorwerp dat het ei moest vervangen. Men gebruikte b.v. pijpekoppen, wulkeschelpen en geschilde aardappelen. Ook soorten als de kievit, grutto, kluut en wulp lieten zich met een 'gaarnessie' makkelijk foppen, maar scholeksters en tureluurs trappen er niet in.
Wilde kenarie - gele kwikstaart (heet ook geelborsie en gele skrééuwerd). De spotvogel wordt eveneens wilde kenarie genoemd.
Wilster - goudplevier. Wilstere heette het vroeger als men plevieren ging vangen met een slagnet. De naam wilster komt ook in Friesland voor, de betekenis is niet bekend. Misschien hangt het samen met 'wéél'.
Winterkeuninkie - winterkoning. Heet meestal duumpie.
Witsteertskor - grauwe en blauwe kiekendief. Wijfjes en jongen van deze soorten lijken op elkaar. Een skor is een bruine kiekendief. Zie verder bij skor en kuukedief.
Wullep - wulp (heet op Texel ook piepepluuzer en reegefluiter). Als je ze op het wad hoort fluiten is dat een teken dat het water wast. 'De wullepeweid op' wordt gezegd als iemand uithuizig is zonder vaste afspraken. Oorspronkelijk betekent het: op een ongeregelde manier zijn eten bij elkaar scharrelen. Een halleve wullep is een regenwulp.


Zwalefie - boerenzwaluw. Heet ook swaveltje. Komt voor in een oud Tessels kinderrijmpje: 'de zwalefies brochte 't fulles uut huus'. Als zwaluwen laag vliegen, gaat het regenen.