Het Open Boek Texel

< Terug



Trouw - 2006


Idyllisch Oosterend werd een verscheurd 'Jeruzalem van het noorden'


'Oosterend is bewondering waard,' schreef Jac. P. Thijsse, de grootste groene Nederlander aller tijden. Maar het Texelse VVV heeft niet eens een wandeltocht Oosterend in de schappen staan.
De Maartenskerk, die je al van ver ziet, een knoest op een diluviale rug, is het oudste godshuis van Texel. De kerk stamt nog uit de vikingentijd, getuige het dichtgemetselde toogje aan de kant van het Kerkplein, het 'Noormannenpoortje'. Maar die naam zal wel legendevorming zijn, want toen de bouw begon (12de eeuw), was er al een eeuw geen Noorman op rooftocht meer langsgeweest.
Scandinaviërs handelden lang nadien wel met Oosterend. Aan het Kerkplein (nummer 6) kwamen in 1987 bezegelde documenten tevoorschijn anno 1717 met Zweedse vrachtbrieven en een vrijpas voor houthandelaar en kapitein Jacob Knaap die hier woonde. Hij was in goeden doen, met zijn stenen pand.
De meeste huizen in Oosterend zijn minder voornaam, met hun houten topgeveltjes in Peperstaat en Verlorenkost, de armoeiige vissers konden geen stenen pui betalen.
Door de smalle straatjes bij de kerk, die sinds Thijsse niet veranderd zijn, liepen de hoofdpersonen uit de jongensboeken van Huib Fenijn. Rudi, Willem, Kikker alias Reijer, ze spelen er in hun land van ooit, ontmoeten de grotemensenwereld.
Vanuit de Blazerstraat kon je vroeger kruimige botjes langs het kerkhof zien liggen, van geruimde en geschudde graven. De Oesterstraat dankt zijn naam aan de broodwinning van bijna heel Oosterend, tot halverwege de 19de eeuw: jaarlijks miljoenen oesters.
Ene dominee Potter bezocht het dorp in 1836. Hij vond de Texelaars liberaal. 'Elk staat zijne belijdenis voor, en voor het overige gaan alle met elkander als broeders om, zonder dat de een den anderen om zijn geloof veroordeelt.'
Deze eilandidylle (als ie al bestond) werd ruw verstoord. In Oosterend, het 'Jeruzalem van het noorden', scheidde in 1852 een handjevol preciezen zich af van de vrijzinnige hervormden. De kleine luyden kerkten eerst in een schuur. Gestaag groeide de groep, die zich aansloot bij Abraham Kuypers Doleantie, ze kregen een School met den Bijbel, een jongelingenvereniging en een kerkgebouw aan de Peperstraat. Zij waren de 'fijnen', fundamentalistisch in schriftopvatting, tegen kermis en cafébezoek, tegen de 'groven' vooral, de liberale hervormden en doopsgezinden.
De beide kampen 'kenne mekaars bloed wel zupe,' schrijft Dirk Daalder, zoon van een Oosterender schoolmeester, in Fijn en Grof en Schimmenspel. 'Ze hadden hun eigen meierblis (aprilvuur), een gedwongen winkelnering, eigen buurten, de groven woonden in de Kneppelbuurt, nu de Schoolstraat, de fijnen aan het 'fiene end', de noordoostkant van het dorp.' De vier kerken beschouwden elkaar als 'dwaallichten en ketters'.
De fricties mondden uit in hét Oosterender conflict uit de 20ste eeuw. Nico Dros probeert het in zijn roman Ter hoogte van het Salsa-paviljoen te ontrafelen. De rel draaide om de plicht, door de gereformeerde kerk nationaal opgelegd, om het spreken van de slang in Genesis letterlijk te nemen. Predikant J.J. Buskes weigerde dat in 1926. Een kerkscheuring was het gevolg. Die verziekte de sfeer decennia.

Het dorp had de kerk in het midden
tenminste de grote kerk
je kon er op meer plaatsen bidden
de splijtzucht tierde er sterk


dichtte Inge Lievaart

Dros' romanpersonage Deroche slaagt er niet in de oorzaak van die splijtzucht op te sporen. De schrijver zelf komt er ook niet uit. In het boekje Een bijbeldriftig dorp moet historicus Dros zijn toevlucht zoeken tot ongerijmdheden: de oorzaak van de drift zit in de bodem, in ondergrondse 'meanders van heilige krachten' die door 'aardstralen' in het dorp een schismatieke razernij teweegbrengen.
Nu hebben de 'fijnen' hun fundamentalisme afgelegd en zitten ze, hervormd en gereformeerd, als protestants samen in de Maartenskerk. Het is er, zoals overal, 's zondags niet zo druk als vroeger.
Halverwege de Genteweg links ligt de achterkant van het 'erf van herkomst', zoals Nico Dros zijn geboortestolp de Mozaïek noemt.

Over de kaai lopen we richting de molen bij Oost. Hier waren eeuwenlang kwelders, tot de inpoldering in 1875. Jaren later wandelt Thijsse er, verrukt over de vogelrijkdom in de 800 hectare gewonnen land. Dat lag er woest en verlaten bij, nog niet voor bebouwing geschikt, met 'groote plassen, kreken en plukjes grasland'.
De polderlasten waren hoger dan de gebruikswaarde. Voor een half pond tabak verkochten eigenaren bunders land. Dat was dan ook niet bedijkt voor agrarisch gebruik, maar voor de veiligheid. De Noorderwaard was een baai die tot in het hart van Texel doorliep, de nieuwe dijk bekortte de kustlijn flink. Dat woog op tegen de nadelen: het verlies van de baai, waar de Oostervloot voor anker ging, en van de oesterwinning. Maar die stelde al een halve eeuw weinig meer voor.
In 1945 zit ds. Buskes verderop op de dijk, schrijft hij in Het eiland, de stad en het koninkrijk (1945), uitkijkend over 'het golvend koren'. De polder Het Noorden is uiteindelijk succesvol in cultuur gebracht. Buskes tuurt over het 'Texelsche polderland onder Gods open hemel.' Het is oorlog, maar die is in zijn gruwel grotendeels aan Texel voorbijgegaan; de ellende van de Oosterender (en landelijke) kerkscheuring van 1926, was veel groter geweest.
Tot 6 april 1945. Toen begon de Russenoorlog, de opstand van krijgsgevangen Georgiërs, die in Duitse krijgsdienst waren getreden. In het zicht van Duitse capitulatie probeerden ze hun hachje te redden. Die ochtend deed een boerenknecht in hoeve De Goede Verwachting, in alle vroegte een gruwelijke vondst: allemaal gekeelde Moffen. Een rotgezicht. Ze waren afgeslacht door de Russen, als startsein voor een guerrillaoorlog die doorging toen Nederland al bevrijd was. De strijd zou duizend doden duren.
In Oosterend riskeerden burgers hun leven door Russen onder te laten duiken. Op de zolder van enkele huizen staan nog Georgische letters, door onderduikers in de hanenbalken gekerfd.
Buskes overdenkt de gevolgen van de oorlog. 'Het weer blijft ruw, maar zoo nu en dan breekt de zon heel even door de wolken heen.'
Aan de Oosterweg (19) staat een verbouwde wierschuur. Aan het over de Noorderdijk trekken van het zeegras, hadden de vissers annex wiermaaiers een extra bron van inkomsten. Het wier was eerst bestemd voor dakbedekking, later voor het vullen van matrassen.
Achter het buurtschap Zevenhuizen, richting Oost, speelt zich in 1924 een drama af. Het halfhistorische verhaal, opgetekend in Nico Dros' Familiezaken, betreft des schrijvers oudoom Pieter. Die had verkering met een 'meidje' uit Oost. De familie had Pieter overgehaald om haar te schaken. Op een nacht ging Pieter op weg naar de loswal, waar een vrachtvaarder klaarlag om het stel naar Terschelling te brengen. Daar kon hij haar bezwangeren en zo een 'moetje' (gedwongen huwelijk) forceren. En dan vliegt de hele situatie hem aan. Hij verhangt zich in een schapenboet.

Tegen de dijk aan ligt Nieuweschild, nu slechts een gehucht, ooit een dorp vol loodsen voor de havens van Oost en Oudeschild. Het rook er naar slik en vis en teer. Nieuweschild had óók een haven, sinds 1844, maar die verzandde binnen een paar jaar. Het dorpje verviel.
Het strand werd de nieuwe attractie. Niet voor badgasten, maar voor Oosterenders. Hier gaat Willem, een van Huib Fenijns hoofdpersonen, rond 1950 na schooltijd zwemmen.
En later, in de jaren zestig, de Oosterender dichter Aart van den Brink. Hij zwom met 'de helden' naar de Kaap (een zeebaken uit 1854), met 'schitterzouten op hun zonnebrand'. Ze klommen erin, zagen Ameland liggen.
Tegenwoordig liggen er weer oesters langs de vloedlijn, gevaarlijk scherp. Het zijn geen nazaten van de broodwinning van vroeger, het zijn allochtone oesters, uit Japan.
Binnendijks ligt een nieuw poldertje, Zandkes, ontstaan na een dijkverhoging. Die volgde op een bijna-dijkdoorbraak in 1976 en een demonstratie in Den Haag (Geen lijken, omhoog die dijken). Het brakke water, de kreekjes, het grasland, ze vormen de biotoop die Thijsse zo kon bekoren, met 'gerucht van tureluurs en grutto's, gegil van scholeksters, schor geroep en acrobatische buitelingen van kieviten, geschreeuw van vischdiefjes, zwarte sterns, meeuwen.'
In de verte ligt Oudeschild. Dat heeft nog altijd een haven, Oosterend al lang niet meer. Toch streefden de Strender vissers die uit Skil voorbij. Verklaring: de socialistische vissers uit Oudeschild hadden minder op met winstmaken, met hun kleinere gezinnen was er minder goedkoop personeel voor op de kotter. En ze waren niet gereformeerd. De 'fijnen' hadden een roekeloos godsvertrouwen. Zo trokken ze de lucratieve Noordzee op, schaften motoren aan terwijl de vissers uit het Rode Dorp bleven zeilen. Oosterenders bleven 's nachts op zee, de Oudeschilders gingen 's avonds liefst voor anker bij Kaap Kont, bij moeder de vrouw. Het economisch gewin van Oosterend kwam niet zonder zwaar verlies. 'Elk jaar verdrinken er wel een paar, meer fijnen dan groven, want de fijnen wagen meer en worden zichtbaar gezegend met grote vangsten, maar ook gestraft met ondergang,' schrijft Dirk Daalder. Waarom ze verdronken? 'Omdat ze meer wagen, vast overtuigd, dat niemand sterft vóór de tijd, die God heeft vastgesteld.'

Op de School met den Bijbel vroegen ze in de jaren zeventig wel eens wat de kinderen wilden worden. Boer, zei de helft van de klas. Visser, de andere helft. Net als Willem, een van Fenijns helden, die decennia eerder droomde van 'geweldige besommingen, zodat hij steeds grotere kotters kon kopen.'
Die kotters kwamen er, maar de visstand groeide niet mee. Wat ooit de trotse Oostervloot was van 100 kielen, werd een kleine Texelse vloot. Vorig jaar saneerden drie kotters, nu zijn er nog zestien over, en twee garnalenkotters, met werkgelegenheid voor nog geen 100 man.
Terug naar Oosterend, langs het Lage Veld, het open uitzicht langs de lange sloten, er grazen schapen, een boer haalt voor melkerstijd de koeien binnen. Het is opvallend licht. Dat zag Inge Lievaart ook:

Weinig bomen had het eiland
wijdheid was er en veel licht
niet het licht dat koepelt over bossen
maar verhelderd door de weiden
vol weerkaatsingen dat water
van rondom weer opwaarts zond


Hier, aan de oostkant van Texel, rukken de vermogende Duitsers, die van de mendeuren glazen huiskamerwanden maken, nog niet op. Maar de boerderijen, de oude 'plaatsen', de boeten (Texelse schuren), de ruilverkavelingsboerderijen, ze verliezen snel hun functie. In acht jaar tijd halveerde het aantal melkveebedrijven tot 45. Nog geen zes procent van de Texelaars verdient z'n brood in de landbouw. Het eiland drijft op toeristen.
De schooljeugd kan alleen nog mijmeren van kombuis of kuilgras. Later worden ze logiesverstrekker, of iets bij een bank. Of ze gaan voorgoed naar de overkánt, zoals Dros, Van den Brink, Lievaart, Daalder, Fenijn. En dan schrijven over het verlangen terug naar Oosterend te gaan, het dorp van de herinneringen en de geuren, van het vervlogen geloof van hun jeugd.
'Op Texel valt er nu misschien wel regen, en in Den Helder stopt de laatste trein,' dicht Aart van den Brink. Hij heeft, zoals dat gaat met ballingen, onvermijdelijk de laatste boot gemist.


De Schrijvers uit Oosterend

1) Aart van den Brink (1954), meest gelezen Oosterender aller tijden (als maker van Elseviers Belastingdiskette), publiceerde kleine poëziebundels (o.a. Schelpen) en Op Texel valt er nu misschien wel regen (1998).
2) Dirk Daalder (1887-1963), zoon van bovenmeester, schreef over Oosterend rond 1900 Schimmenspel (1939) en Fijn en grof (1950). Samensteller van overzicht van de Nederlandse kinderliteratuur, Wormcruyt met suycker.
3) Nico Dros (1956), boerenzoon en historicus, zijn Noorderburen (1991) werd genomineerd voor de Ako-literatuurprijs. Ter hoogte van het Salsa-Paviljoen (1999), Familiezaken (1994) en Een bijbeldriftig dorp ofwel bodemgeheimen van Oosterend (1997), spelen (deels) in Oosterend, net als zijn debuut Vertrapt gewas (1972).
4) Huib Fenijn (1905-1971), kwam van de 'overkánt', trouwde een Oosterendse. Als Huib de Rijmelaar de 'Dichter des Eilands'. Zijn gelegenheidspoëzie stond in Trouw en Telegraaf: De avonturen van Kikker, Willem Drijver kiest de zee en Rudi een Texelse kwajongen spelen in de jaren vijftig.
5) Inge Lievaart (1917), onderwijzerskind. Haar Verzamelde Gedichten (2000) bewijzen dat de dichteres (ook van haiku's) onterecht in de hoek van christelijke on-literatuur is beland. Kleine rehabilitatie: Lievaart haalde Gerrit Komrij's grote poëzie-bloemlezing.


Zondagsdichters

6) Nelie Bakker (1904-1987), vroedvrouw, schreef Gedichtjes (1975) in strak aa bb-schema.
7) Marie Dros-Eelman (1901-1992), schreef piétistische natuurpoëzie in Een bundeltje mirre (1974).
8) Frerik van der Vis, visser (Oost, 1842-1925), zette zijn levensverhaal op rijm (delen gepubliceerd).


Lodewijk Dros